Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

S.I. Wiselius - Lierzang van Habakuk

Onder de voortreffelijke gedenkstukken van de heilige geestverheffing der Mannen Gods, wien, gedurende de bedeeling des Ouden Verbonds, een meer of min duidelijk inzien werd geschonken in het beleid der Godsregeering over het Volk van Israël en in het, daarmede in een regtstreeksch verband staande, aanbidlijk ontwerp der Voorzienigheid, ter verlossing des gevallen menschdoms, en welk inzien zij, door middel van, nu eens terstond bevattelijke, dan eens van meer omzwachtelde, hier van algemeene, ginds van meer beperkte en geheel nationale, beelden en voorstellingen, voor hunne tijdgenoten, maar inzonderheid voor volgende eeuwen hebben ontdekt en geopend; onder deze Gedenkstukken (zegge ik) moet zekerlijk aan het gebed of den Lierzang van Habakuk, als Dichtstuk beschouwd, eene der eerste plaatsen worden toegekend.

Met deze prachtige volzin begint Samuel Iperuszoon Wiselius het voorwoord bij zijn Berijmde vertaling van den Lierzang van Habakuk. Wiselius stelt zich in zijn vertaling ten doel, de brontekst 'niet slechts van eene godsdienstige zijde, maar ook van den kant der dichterlijke waarde' recht te doen. Of hij daarin geslaagd is? Ziehier zijn vertaling van het begin (Habakuk 3:2) en het gedeelte vs. 8-16:

Toen gij me uw woord hebt doen verstaan,
Greep mij, Jehovah God! een koude rilling aan.
Voleind, ô Heer der legerscharen!
Uw werk bij 't golvend tij' der jaren;
Doch toon aan 't menschdom t'allen tijd,
Dat, tot in 't straffen zelfs, gij goedertieren zijt.
(...)
Ontstak uw toorne in fellen gloed
Op zeên, rivieren, stroom en vloed,
Toen Gij door 't luchtruim met uw donderrossen snelde,
En zegepraal, ô God! uw wagentrein verzelde?

Straks scheurde 't wolkenkleed; de purp'ren boog trad voort,
Dat teken voor den mensch van uw belofte en woord.
Het aardrijk spleet, doorboord van uwe waterstromen.
't Gebergte aanschouwde uw komst en kon zijn' schrik niet tomen.
De regen stroomde neêr... Hoe woelde 't diep door een
En hief de handen tot u op met smeekgebeên!
De gouden Zon, de Maan, die grootsche hemellichten,
Ontvloden in haar tent, voor 't blak'ren van uw schichten,
Die gonzend snorden door de lucht,
En voor den weêrglans van uw' bliksemgloed beducht.
Dus zijt ge, ô Heer! met dreigende ogen,
Verbolgen 't aardrijk doorgetogen,
En hebt, door gramschap aangezet,
Een aantal natiën verplet.
Zo vreeslijk toogt ge, ô God der Legers! op ten strijde,
Tot troost en heil van Jacobs kroost,
Dat ge u ten keur- en erfvolk koost,
Met uw' Gezalfden aan uw zijde.
Gij stiet den trotschen gevel neêr
En bonsdet 's Dwinglands Huis omveer:
Men zag tot zelfs de rots ontbloten,
Waarop de grondvest lag van 's Drijvers forsche Sloten.

Gij hebt der Vorsten hoofd, hun euvelmoed ter straf,
Vermorseld met hun eigen staf,
Daar zij bij 't stormgeweld ons dachten uit te delgen.
Reeds juichten zij om onzen val,
Met luid en honend vreugdgeschal,
Als zouden ze ongestraft ons weereloos verzwelgen.

Gij snelt, (hoe bruischt en kookt de nooit gepeilde vloed!)
Gij snelt met wolkgespan langs oceaan en stranden:
Ik hoor 't en voel den schok tot in mijne ingewanden....
Nu zich uwe Almagtsstem al dond'rend horen doet,
Verlamt mijn' tong; een huiv'rend schrikken,
Dat door mijn bonzend harte vaart,
Berooft mijn' voet van kracht.... Mijn matte knieën knikken...
Ik wankel.... Ik bezwijk.... Ik zink bedwelmd ter aard.

Maar neen! mijn ziel blijft kalm, hoe fel de nood moog' nijpen,
Tot dat Jehovah 't volk, dat thans ons zo verwoed,
Zo fel, zo grimmig aan durft grijpen,
Gelijk in vroeger eeuw, zijn magt gevoelen doet.

Twintig jaar later, in 1835, maakt ook Isaäc da Costa een poëtische bewerking van deze bijbeltekst, onder de titel 'Sterkte in God'.

Bibliografische referenties

Mr. S.I.Z. Wiselius, Berijmde vertaling van den Lierzang van Habakuk, zijnde het IIIde hoofdstuk diens Propheets. Amsterdam: Hendrik Gartman, 1815.

Isaäc de Costa, 'Sterkte in God. (Habakuk, Hoofdstuk III.)' in: Da Costa's kompleete dichtwerken II, Haarlem: A.C. Kruseman, 1862, p. 360-364. [Deze tekst is ook te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Habakuk 3:1, Habakuk 3:8-16