Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Salomon ende Marcolphus

Zo opent 2 Kron. 9: 'De roem van Salomo was tot de koningin van Seba doorgedrongen. Ze ging naar hem toe om hem met raadsels op de proef te stellen en kwam naar Jeruzalem met een grote karavaan kamelen beladen met reukwerk, een grote hoeveelheid goud, en edelstenen. Ze bracht Salomo een bezoek en legde hem alle vragen voor die ze had bedacht. En Salomo wist op al haar vragen een antwoord, er was er niet één waarop hij het antwoord schuldig moest blijven.'

Deze woordenstrijd staat aan het begin van een reeks publicaties waarin allerlei figuren in debat gaan met Salomo. In de loop der tijd zijn zo diverse (apocriefe) Salomo-dialogen ontstaan. In de 5e eeuw vond een paus het nodig om een Contradictio Salomonis te verbieden, omdat de tekst op gespannen voet zou staan met de leer van de kerk. Maar de Salomo-dialoog bleef als vorm populair: Salomo vertegenwoordigde dan de opvattingen die de schrijver wilde verdedigen; tegenover hem stond een figuur die afwijkende meningen voorstond en dus overtuigd moest worden. In de Middeleeuwen werd er nogal eens een kluchtige draai aan de dialoog gegeven: Salomo werd min of meer belachelijk gemaakt door hem zijn wijsheid te laten verspillen aan een oneerbiedige tegenstander, die zijn plechtige spreuken met triviale opmerkingen beantwoordde.

Onbekend
Het twistgesprek tussen Koning Salomon, zijn tegenstander Marcolphus en diens vrouw

Dat dyalogus of twisprake tusschen den wisen coninck Salomon ende Marcolphus is zo'n kluchtige Salomo-dialoog. In dit 15e-eeuwse volksboek gaat Salomo in debat met Marcolphus, wiens naam mogelijk een verbastering is van Marcolis=Mercurius, de klassieke god van kennis en wijsheid. Deze Marcolphus dient zich aan bij koning Salomo voor een wedstrijdje in wijsheid. Marcolphus wordt getekend als een lompe, oerlelijke kerel; 'nochtans in der tonghen was hi seer wel geraect [welgevormd] ende utermaten gespraecsam' [welbespraakt]. Het monster naast hem is zijn al even afzichtelijke vrouw Policana. Maar eerst moet Salomo zich voorstellen:

Salomon seide ick ben vanden twalef gheslachten der patriarcken Te weten van Iudas die welcke wan Phares. Phares ghewan Esron. Esron gewan Ara. Ara gewan Aminadab. Aminadab gewan Naason. Naason gewan Salmon. Salmon ghewan Boos. Boos wan Obeth. Obeth Ysai. Ysai den coninc David. David gewan Salomon den coninc ende dat ben ic. [Vgl. de stamboom in Ruth 4:12 en 18-22.]

Dan vertelt Marcolphus wie hij en zijn vrouw zijn, maar pikanter is wat hij later in de tekst over zijn én Salomo's achtergrond weet te melden:

Bi tiden coninck Davids uwes vaders, was ic een iong van uwes vaders medecijn meister ende also si eens een ghier ghevanghen hadden om die te besighen in haerre medecinen ende dat si van dien hadden ghenomen die leden die sy behoefden. So nam Barsabea u moeder therte van dien ende leyde dat op een corste broots ende briet dat int vier ende gaft u doen teten ende mi die doen in dye coeken [keuken] was werp si na thooft die corste die so metten ghiere doerdropen was ende die at ic ende van dien soe ick wane is mi gecomen dese scalcheyt ghelijck alst u is vanden herte die wijsheit.

Zo zouden zowel Salomo als Marcolphus hun wijsheid c.q. boerenslimheid te danken hebben aan het eten van het hart van een gier, wat voor Salomo in het licht van Lev. 11:13 een gruwelijke gedachte is. De koning werpt tegen, onder verwijzing naar het droomgezicht in Gibeon (1 Kon. 3), dat hij zijn wijsheid van God heeft ontvangen. Marcolphus blijkt niet onder de indruk: 'Ja ick hebt ghehoort ende ick bevroede wel dat so waer God wil daer reghentet.'

In de eigenlijke dialoog herhaalt Salomo allerlei uitspraken die we herkennen uit de verschillende wijsheidsboeken in de bijbel. Marcolphus plaatst daar zijn volkse wijsheden tegenover, vaak gelardeerd met de nodige poep-humor.
Een greep uit hun tweespraak:

Salomon. Een goet wijf ende schone die is haren man een crone.
Marcolf. Eenen pot vol melcs behoortmen vanden catten wel te bewaren.
Salomon. Een wijf die vroet ende wijs is maect een huys ende dye onvroede ende dwase verderft [verwoest] met haren handen dat sy ghemaeckt vindt.
Marcolfus. Eenen pot die wel ghebacken is mach best dueren, ende die wat reyns coect [kookt] die mach reyn nutten.
(...)
Salomon. Een vrouwe sterck in doechden wie sal die vinden.
Marcolfus. Een catte soe ghetrouwe datmen hair dmelck bevelen [toevertrouwen] mach wie sal die vinden.
Salomon. Nyemant.
Marcolfus. Soe salt oeck qualicken sulcken wijf.
(...)
Salomon. Laet ons verbeteren int goede tgene dat wi onwetende misdaen hebben.
Marcolfus. Als ghi uwen aers vaecht [veegt] soe en doet ghi niet anders.
(...)
Salomon. Ten is gheen vrient die inder vrientscapen niet en verherdet [volhardt].
Marcolf. Den stront van enen calve en misset [mest] niet lange.
Salomon. Die zuecket vele hoeckijns [Hij zoekt veel (schuil)hoekjes] die van sinen meester sceiden wille.
Marcolf. Die vrouwe dies niet ghedogen en wille [die haar man afwijst] seyt dat si al een scorfden [schurftige] eers heeft.
Salomon. Des conincx woert sal wesen onwandelbaer [onveranderlijk].
Marcolf. Sere schier [vlug] verdrietes hem die metten wolve die ploech drijft.
(...)
Salomon. Vele lieden die in armoeden zijn wenscen om rijcdomme.
Marcolphus. Etet op dat ghij hebt ende besiet dan wat u overen [overblijven] sal.
Salomon. Vele lieden vintmen die honger lijden nochtans vueden sy wiven.
Marcolf. Die arme man en hadde geen broot nochtans cocht hi enen hont.
Salomon. Die sot antwoerde na [overeenkomstig] sijnre dwaesheit op dat hy emmers niet wijs gekent wert.
Marcolphus. Wat den steen hoort daer sal den eyck op antwoerden.
(...)
Salomon. Diet wel heeft dien salmen daer toe gheven op dat hi overloope.
Marcolf. Wee den mensche dye ouders heeft ende gheen broot daer toe.
Salomon. Wee den mensche die een dubbel herte heeft ende in beide weghe wandelen wil.
Marcolf. Die twee weghen gaen wil die moet weder zijn aersgat of weder zijn broec schoren [scheuren].
Salomon. Wt overvloedicheit des herten soe spreect die mont.
Marcolf. Wt vervol(t)heit des buycs hulpelt [huppelt] den aers.
Salomon. Twee ossen in een ioc trecken ghelijc.
Marcolphus. Het gaen oec twe aderen ghelijc tot eenen aerse.
(...)

Zo'n debat kan zelfs de wijze Salomo onmogelijk winnen. De tweespraak wordt gevolgd door een serie anekdoten, die we kennen uit de oudheid, uit sprookjes en ook uit de bijbel. Zo stuiten we ook op de klassieker over Salomo's wijsheid (1 Kon. 3:16-28) - nu met commentaar van Marcolphus:

Hier binnen [Intussen] quamen dair twee vrouwen ende brachten met hem [zich] een levende kint daer si voer den coninc om twiste hadden want deene seide dattet kint haer toe hoerde dander seide dattet haer toe hoorde. Deene van hem hadde haer kint al slapende versuymt ende versmoert so dat si daer om voerden coninc quamen. Salomon hiet sinen knechten een swaert nemen ende dat si tkint deylen, ende dat elc vanden vrouwen die helft nemen soude Dit horende die vrouwe die tlevende kint toe hoorde seide. Heer coninck here ick bidde u gheeft deser vrouwen dat kint: want sy isser die moeder of. Marcolf vrachde den coninc hoe hi die moeder vanden kinde kennede. Salomon antwoerde wt harer begeerten ende wt harer veranderinghe vanden aensichte ende biden overvloedigen tranen.
Marcolf. Dat mocht u liegen [Daarin kunt u zich vergissen] ghi die so wijs sijt gelovet ghi dat weenen vanden vrouwen en kent ghi der vrouwen listicheit niet bat [beter]. Soe wanneer die vrouwe metter ogen screyet dan lacht sy metter herten Sy screyt metter eenre oghen ende lachet metter anderen. Sy gheeft int aensichte te verstaen dat si niet en meynt, si spreket metten monde dat si metter herten niet en dencket (...)

Het eind van het liedje is dat Salomo zijn tegenstander de deur wijst, hij wil hem niet meer zien. Kort daarna komt hij de man toch weer tegen, terwijl die zich zogenaamd voor de koning verbergt, maar dan wel met zijn ontblote achterste demonstratief naar hem opgeheven.

Dit siende die coninc vraechde hi wat daer laghe Marcolf antwoerde heer ic bent Salomon seide hoe legt ghi aldus, Marcolf antwoerde ghi hebt geboden heere als dat ghy my niet meer syen en soudet tusschen minen oghen wildi mi dan nu niet sien tusschen mijnen oghen, soe moghet ghi my syen tusschen mijn aersbillen int midden van minen aersgate Dies wert die coninck seer ghestoert [vertoornd] ende hiet den knechten dat sij hem gripen souden ende hangen hem an enen boom

Marcolphus weet dan nog te bedingen dat hij zelf die boom mag uitzoeken. Natuurlijk kan hij de boom die hij zoekt vervolgens nergens vinden ...

Bibliografische referenties

Dat dyalogus of twisprake tusschen den wisen coninck Salomon ende Marcolphus, naar den Antwerpschen druk van Henrick Eckert van Homberch in het jaar 1501 uitgegeven, op het getouw gezet door Dr Willem de Vreese en voltooid door Dr Jan de Vries, Leiden: E.J. Brill, 1941. [Deze uitgave - volledige tekst, en uitvoerige achtergrondinformatie in bijlagen - is ook te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

2 Kronieken 9:2, 1 Koningen 3:5, 1 Koningen 3:28, Spreuken 12:4, Spreuken 26:5