Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

Satan

De naam Satan betekent ‘tegenstander’ of ‘tegenstrever’ en wordt in het Oude Testament zowel voor mensen als hemelse wezens gebruikt. Zo worden twee heidense koningen door God gestuurd als tegenstanders (letterlijk ‘satans’) voor koning Salomo (1 Kon. 11:14, 23).

In de oudtestamentische boeken Job en Zacharia vinden we Satan als de naam van ‘een van de zonen van God’, die een speciale taak heeft, namelijk het aanklagen en het vervolgen van zondaren voor het hemelse hof. Zijn naam is dus een soort van functieomschrijving. Op die manier zien we hem aan het werk in een visioen van de profeet Zacharia, waarin de hogepriester voor Gods rechtersstoel staat (Zach. 3:1-10). De Satan gaat nog verder in het boek Job. Hij stelt in de proloog (1:9-11) dat Jobs godvrezendheid alleen maar het gevolg is van zijn rijkdom en voorspoed en dat het heel anders zou zijn als hem alles afgenomen zou worden. Hij probeert de rechtschapen hoofdpersoon te provoceren tot zonde en het vervloeken van Gods naam.

Pas in het Nieuwe Testament is Satan de naam van de vijand en tegenstander van God. Daarnaast wordt hij Beëlzebul (Matt. 10:25; Marc. 3:22), Belial (2 Kor. 6:15) en de duivel (Luc. 4:2; Joh. 13:2) genoemd. Satan staat lijnrecht tegenover God en probeert uit alle macht zijn heilsplan te dwarsbomen en te frustreren. Hij is de koning van de demonen en de oorzaak van ziekten, lijden en rampen. Demonen

Hij wordt ook ‘de verleider’ genoemd, van de gelovigen wel te verstaan - want de ongelovigen heeft hij al in zijn macht (1 Tess. 3:5). Het bekendste voorbeeld van Satan als verleider is het verhaal van Jezus’ verzoeking in de woestijn (Matt. 4:1-11). De duivel probeert Jezus ten val te brengen door het verdraaien van bijbelteksten. Hij doet zich voor als een ‘engel van het licht’ maar is ondertussen een leugenaar en ‘de vader van de leugen’ (2 Kor. 11:14 en Joh. 8:44).

In het boek Openbaring wordt verteld dat de macht van Satan, de draak, in de laatste dagen tot een einde komt. Hij zal samen met zijn demonen verslagen worden (Openb. 12:7-9) en voor eeuwig gepijnigd in de poel van vuur en zwavel (Openb. 20:10).

Heeft betrekking op:

2 Korintiërs 11:14, Jakobus 4:7, 1 Kronieken 21:1, Romeinen 16:20, Zacharia 3:1, Job 1:9, Matteüs 4:1, Openbaring 12:7, 2 Timoteüs 2:26