Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Simon Vestdijk - De grootheid van Judas

Vestdijk heeft zich een aantal malen, in proza en in poëzie, beziggehouden met de figuur van Judas. In het essay 'De grootheid van Judas' (in de bundel Essays in duodecimo uit 1952) stelt hij eerst in het algemeen dat iemand die een Voorbeeld navolgt, zich er uiteindelijk niet mee wil vereenzelvigen, om te kunnen vasthouden aan zijn bewondering: '... om het ideaal in zijn zuiverheid te handhaven zijn wij genoodzaakt het te ontkennen'. Dit principe past Vestdijk toe op Judas, ter verklaring van diens verraad van zijn Meester. Maar eerst stipt hij de gangbare verklaringen aan (p. 130-131):

De behoefte om Judas te rehabiliteren is niet van vandaag of gisteren. Men heeft naarstig rondgespeurd in zijn karakter, en wat men daar vond waren hoogst merkwaardige motieven, en niet altijd de motieven van een schelm. Tenslotte was hij toch een van de twaalf, en zou Jezus hem ooit gekozen hebben, indien hij werkelijk niet meer geweest was dan de 'dief', die het Evangelie van Johannes van hem maakt? Eigenlijk begint de apologetische Judasliteratuur reeds met Lucas 22:3: 'En de Satan voer in Judas, die toegenaamd Iskariot, zijnde uit het getal der twaalve'. Ondanks zijn slechte dunk van de schatbewaarder der kleine gemeenschap legt Johannes hier nog eens de nadruk op, door de satan zelf twée maal te laten optreden (13:2 en 27). Maar, het mag dan waar zijn, dat deze duivelse inmenging zijn daad vergeeflijker maakt, daarmee is nog niet de vraag beantwoord wat voor soort satan het was die zich met het initiatief tot zijn handelingen belastte. Beurtelings heeft men Judas' drijfveren - afgezien dan van banale geldzucht, welk motief niet alleen, gezien het geringe bedrag, onaannemelijk, maar ook uiterst oninteressant is - gezocht in teleurstelling om het uitblijven van het te stichten Messiasrijk, - of zelfs in het verlangen om door het verraad Jezus hiertoe aan te sporen, - in wrok en afgunst, hetzij op Jezus zelf, hetzij op éen of meer der andere discipelen; of in de drang tot het voltrekken van het noodlot.

Vestdijk meent dat Judas het best begrepen kan worden 'uit de weigering tot vereenzelviging met het door hem aanbeden idool. Zo bezien, verried Judas zijn Meester uit vroomheid, - om het beeld trouw te kunnen blijven, dat hij zich van Hem, en tevens van zichzelf, gevormd had, - zo bezien, was hij een beeldenstormer op grond van hogere beeldendienst'. Judas zou zich zorgen hebben gemaakt over de toenemende neiging bij de collega-discipelen (en natuurlijk ook bij hemzelf) om Jezus te imiteren: 'allemaal heilanden in de maak'.

Tegen de onweerstaanbare drang tot gelijkwording aan iets waaraan men niet gelijk worden mag, heeft Judas zich als enige te weer gesteld, en daarin bestaat zijn grootheid. Door middel van het verraad bevestigde hij de afstand tussen mens en ideaal, gaf hij Jezus de eer die Hem toekwam, en zichzelf de schande, waaraan hij zich, mét de anderen, reeds te lang had onttrokken. Niet méer dan een erbarmelijke schelm wilde hij nog zijn: om dit te bewijzen leken dertig zilverlingen hem als bedrag niet onaanvaardbaar. De zilverlingen waren zijn alibi, - niemand zou nu meer geloven, dat hij de wandaad niet uit winstbejag had gepleegd. Als een monster liet hij zich uitstoten uit de gemeenschap der heiligen - al te heiligen, en hing zich op, minder uit wroeging om een daad waar hij spijt van had dan om te ontkomen aan een liefde en een verering, die tot menselijk onbegrijpelijke middelen haar toevlucht had moeten nemen om zich te kunnen uiten. Laten wij aannemen, dat Jezus hem begrepen heeft. Hij die ons de gelijkenis van de Pharizeeër en de Tollenaar naliet [Luc. 18], kan daar geen moeite mee hebben gehad. (p. 132-133)

Ook in het sonnet 'De dood van Judas' (in Thanatos aan banden uit 1948) bewandelt Vestdijk allesbehalve traditionele paden:

Uit wroeging smolt hij al zijn zilverlingen
Om tot een kruisbeeld, dat hij met zich droeg
Ter woestenij, waar hij de lend'nen sloeg
In haren boetepij bij 't handenwringen.

Eerst eeuwen lang bij Thebai gezwoegd,
Geknield voor 't beeld, in sluwe folteringen, -
Kerkvader dan, of prior, - onder 't zingen
Van een Te Deum nimmer leeds genoeg

In zijn rouwmoed'ge keel tezamenschrapend, -
Dan kluiz'naar weer, of milde Franciscaan, -
En nooit éen stap van 't zilv'ren beeld vandaan!

Totdat hij voor zijn dood weer Judas wordt
En 't beeld verkoopt dat hem heeft uitgedord,
Zijn zilverlingen dankbaar samenrapend.

In zijn debuut Verzen (1932) geeft Vestdijk in 'De judaskus' een poëtische reactie op het fresco dat Giotto begin 14e eeuw in Padua maakte:

De kaak dreigt als een rotsblok-onder-zee,
Waaruit het sappig weekdier van den mond
Voortschuift tot kussen. Maar zijn starend-rond
Ondergedompeld menschoog wacht gedwee

Op deze nadering, en in zijn ree-
Gewelfde lippen ligt mede 't verbond
Van slachtoffer en hater diep gegrond,
En hun beweging telt bij 't kussen mee.

Een innig streven, buiten 't weten om,
Verbindt die twee: de mensch die onder zwom,
Het dier dat hoog komt en naar 't heil toewaadt.

Geen tegenzin doet hen afglijden: slechts
Het dol rumoer van Petrus, meer naar rechts,
Die ruw de hand legt aan hun liefdesdaad.

Zie ook

  • Toon Rode draad Judas Iskariot

Bibliografische referenties

Simon Vestdijk, 'De grootheid van Judas' in: Essays in duodecimo. Amsterdam: Meulenhoff, 1976 (3e dr.), p. 128-133.

Simon Vestdijk, 'De dood van Judas', overgenomen uit: Patrick Labeur en Stefan van den Bossche, Het evangelie volgens dichters. Bloemlezing uit de Nederlandstalige poëzie. Tielt/Amsterdam: Lannoo/Atlas, 1999, p. 167.

Simon Vestdijk, 'De judaskus' in: Verzen. Amsterdam: Querido, 1978 (2e dr.), p. 27.

Heeft betrekking op:

Johannes 13:27, Matteüs 27:3, Lucas 22:3, Handelingen 1:18