Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Simon Vestdijk - De kellner en de levenden

In 1949 publiceerde Simon Vestdijk (1898-1971) zijn apocalyptische 'thriller' De kellner en de levenden, waarin de auteur op eigenzinnige wijze zijn visie op religie in het algemeen en het christendom in het bijzonder naar voren brengt. Het bijbelboek Openbaring neemt in deze roman een belangrijke plaats in.

Het boek begint alledaags, maar de vreemde gebeurtenissen stapelen zich in ras tempo op. Tjalko Schokking en Henk Veenstra komen na een avondje op de voetbalvereniging terug bij de flat waar ze beide wonen. Daar wordt hun de toegang versperd door enkele agenten, die de bewoners van de flat inclusief een toevallige bezoeker - twaalf in totaal - zonder opgaaf van reden in een gereedstaande touringcar loodsen. De twaalf lotgenoten, waaronder een dominee, een acteur en een tandarts, steken elkaar de loef af met het verzinnen van verklaringen voor deze wonderlijke gang van zaken. De meesten houden het op een vergissing. Ze worden in het centrum van de stad afgezet bij de ingang van een grote bioscoop, waar ze door ordebewakers naar binnen worden geloodst.

De twaalf zijn daar de enigen met hun eigen kleren aan; voor de rest is de hal bomvol met groepjes mensen in witte kleren (Vgl. Opb. 6:11). Sommigen van dezen verklaren desgevraagd in de zeventiende of achttiende eeuw geboren te zijn. De flatgenoten krijgen aanwijzingen en een routebeschrijving om hun weg in het gebouw te vinden. Na een enerverende tocht in een lift, en vervolgens een lange wandeling door een grotachtig gangenstelsel bereiken ze een enorm stationsemplacement met 500 perrons. Inmiddels heeft Veenstra tussen de andere reizigers een collega herkend die juist vier maanden geleden gestorven was. En ze bemerken nog een eigenaardigheid: 'de grote elektrische klok was niet alleen zonder licht, maar men had er alles uitgehaald, het binnenwerk zo goed als wijzers en wijzerplaat' (p. 60). De twaalf 'levenden' nemen plaats in een wachtkamer, die voor de rest bevolkt wordt door een ober, Leenderts, en enkele kelners, waarvan er één opvallend vrolijk en gedienstig is. Deze kelner schenkt hen telkens uit een onuitputtelijke kan met in wijn veranderd water. Ook hier blijkt de klok leeg en iedereen is zijn horloge vergeten of op raadselachtige wijze verloren.

Nog altijd proberen de twaalf de betekenis van de gebeurtenissen te verklaren. Sommigen houden het nu op een gezamenlijk beleefde droom, maar mevrouw Schokking, de moeder van Tjalko, denkt dat dit het laatste oordeel is. Daarop ontspint zich een discussie, waarbij het opvallend ontbreken van de tijd centraal staat:

'Maar wat ik zeggen wou: dat-er-geen-tijd-meer-zal-zijn, - waar staat dat beschreven, meneer Veenstra?'
'In de Bijbel toch zeker?'
'Mij niets van bekend. We zouden dit aan onze dominee moeten vragen, het is niet mijn bedoeling om eh... Hm... U doelt waarschijnlijk op Mattheüs 24, maar daarin staat niets over de tijd; wel over de voleinding der wereld, en oorlogen, en verduistering der zon, en de sterren die van de hemel zullen vallen, en een bazuin met groot geluid, en natuurlijk de komst van Christus...'
'En hebben we die sterren soms niet gezien? In die grote zaal met al die boeken? '
'Gezichtsbedrog,' glimlachte de tandarts, 'een knappe truc. De moderne techniek staat voor niets. Later stonden ze weer op de gewone plaats, herinnert u zich maar... Misschien heeft u aan de Openbaring gedacht; maar daarin staat wèl geschreven, dat er geen nacht meer zal zijn, maar niets over de tijd. Ik ben natuurlijk geen autoriteit, al beschouw ik mezelf als tamelijk bijbelvast... Dominee, kunt u ons ook zeggen, of er in de Openbaring iets over de tijd staat: dat die niet meer zijn zal, of stilgezet is, of iets van dien aard?'
Met inspanning van al zijn krachten richtte dominee Van der Woght zich op uit de dodelijke vermoeidheid, die hem nog steeds gekluisterd hield. Werktuiglijk glimlachte hij zijn mooie oudemannenglimlach, en wijd sperden zijn fletsblauwe ogen zich open, als om te zien, te weten, zich te herinneren wat hij vroeger geweten had. Voor ieder was het duidelijk, dat op dit moment de Openbaring voor hem een boek was met evenveel zegelen gesloten als het boek, waarvan in de Openbaring wordt gerept. Zij glimlach verbreedde zich, zijn vierkante kin werd iets strenger en onverzettelijker, en zijn stemgeluid was krakend en dogmatisch en tot in de verste hoeken van de wachtkamer waarneembaar, toen hij verkondigde:
'De Openbaring is een duister boek, waar al vaak misbruik van is gemaakt. Getalmystiek en andere kunsten, - allemaal dwaalleer. Ik zeg altijd: waarom zouden we het moeilijke zoeken, wanneer de «eenvoudigheid die in Christus is» open en bloot vóor ons ligt?'
'Inderdaad,' zei de tandarts op zalvende toon. (p. 71-72)

Even later schiet het de dominee toch te binnen: 'In de Openbaring staat, dat daar geen tijd meer zijn zal. Hoofdstuk 10 vers 6, of vers 7, dat ben ik kwijt' (p. 75). In de Statenvertaling staat inderdaad: 'En hij zwoer bij Dien [...] dat er geen tijd meer zal zijn'. Bedoeld is echter dat de tijd verstreken is, dat er geen tijd meer over is. In de NBV is dit dan ook vertaald met: 'Het is de hoogste tijd!'

Deze fascinerende roman - waarvan we de ontknoping hier niet weggeven - heeft een cyclisch karakter: na de heenreis en het langdurige verblijf in de wachtkamer, waarin de levenden elkaar aan een uitvoerig gewetensonderzoek onderwerpen, volgt een minstens even enerverende terugreis, waarin zowel Leenderts als de vriendelijke kelner in een andere rol terugkeren.

Bibliografische referenties

Simon Vestdijk, De kellner en de levenden. 22e dr. Amsterdam: De Bezige Bij, 1987.

L.G. Abell van Soest en L.F. Abell, Het laatste oordeel. Een interpretatie van S. Vestdijks 'De kellner en de levenden'. Utrecht: Hugin, 1995.

Heeft betrekking op:

Openbaring 10:6