Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Stefan Brijs - De engelenmaker

Michaël, Gabriël en Rafaël – de namen van drie aartsengelenAartsengelen. In de roman van Stefan Brijs de namen van drie jongens, die geboren zijn op 29 september 1984, de naamdag van de Heilige Michaël, Gabriël en Rafaël.

Hoofdpersoon van de roman is Herr Doktor Victor Hoppe. Aan het begin van het verhaal arriveert hij met zijn drieling in het Belgische plaatsje Wolfsheim, 'dat vlak bij het drielandenpunt al zijn hele bestaan knel zat tussen de stevige dijen van het Nederlandse Vaals en het Duitse Aken'. Feitelijk is het voor Hoppe een terugkeer, want hij is zelf in dit dorp geboren. Als baby werd hij door zijn ouders 'opgeborgen' in een gesticht van de zusters clarissen, omdat ze meenden dat hij debiel was. Die diagnose blijkt te simpel: Victor is niet debiel, hij heeft Asperger. Maar voor de pastoor en de eenvoudige gelovigen ligt het duidelijk: Victor Hoppe is gewoon bezeten, het kwaad huist in hem. Kijk maar naar zijn rode haren, zijn hazenlip, zijn afgewende ogen, zijn onbereikbaarheid.

Michaël, Gabriël en Rafaël – wie is hun moeder? wat is er met hen aan de hand? Hoppe schermt zijn kinderen zo veel mogelijk af van de buitenwereld. Via een oppasjuffrouw komen we als lezers gaandeweg toch het nodige te weten over de kinderen: ze hebben alledrie een hazenlip, net als hun vader, ze hebben een vreemd oud uiterlijk en zijn bijzonder intelligent. Ze blijken het product te zijn van een kloonexperiment van hun vader, maar daarbij is iets misgegaan. Hoppe probeert nu uit alle macht het verouderingsproces bij te sturen of te stoppen, maar het lukt niet.

In wezen is Doktor Hoppe in gevecht met de Schepper. Zoals God de mens schiep naar zijn gelijkenis, zo wilde ook Victor te werk gaan, maar dan beter: door te kloneren en genetische fouten te repareren, met het uiteindelijke doel de mensheid te verlossen. 'Goed zijn. Goed doen.' - dat is het enige wat voor Hoppe als arts telt. Wie hem daarin dwarsboomt vertegenwoordigt het kwaad.

En God? In het beeld dat Victor van Hem kreeg, speelden de woorden van broeder Thomas, broeder Lucas en pater Norbert een grote rol. Doordat zij keer op keer God voorstelden als een dreigend wezen, als degene die veroordeelde en strafte, die almachtig was, aloverheersend en albestierend, besefte Victor, die zelf onmachtig was om te relativeren, die amper onderscheid kon maken tussen het abstracte en het wezenlijke, dat God zelf eigenlijk de bron was van alle kwaad.
En dat beeld van God, dat schrikwekkende beeld, zag hij hoe langer hoe meer bevestigd in de bijbel, waarin broeder Rombout hem ongestoord liet lezen, niet beseffend wat Victor ervan onthield. Hij onthield immers: God ontketende oorlogen, God verwoestte steden, God stuurde natuurrampen, God strafte, God doodde.
God geeft en God neemt, Victor. Onthoud dat.
God gaf, inderdaad, maar voor alles wat God gaf, nam Hij eens zoveel terug. Dat was wat Victor ten slotte onthield.

Jezus was goed. (...) Victor las hoe Jezus de hongerigen spijsde. Hoe Jezus stormen bezwoer. Hoe Jezus zieken genas. Hoe Jezus doden opwekte.
Victor ontdekte dat Jezus zijn stem niet verhief en dat hij evenmin sloeg of strafte.
Jezus was dus goed.
Voor Victor was het niet alleen een openbaring, maar ook een geruststelling. Jezus was immers de Zoon van God. De Vader deed kwaad, de Zoon deed goed. Dat herkende hij en dat was wat hem zo geruststelde. Het is allerminst overdreven om te stellen dat hij in Jezus een vriend zag. (...)
Behalve een vriend werd Jezus al snel een lotgenoot, niet geleidelijk aan, maar plotseling, toen Victor bijna aan het eind van het evangelie volgens Matteüs was gekomen.
Eli, Eli, lamma sabaktáni; dat is: 'Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij Mij!'
Die zin had hem als een bliksemflits getroffen. God liet zijn eigen Zoon in de steek. Hij liet Hem aan zijn lot over. Ook dat herkende Victor maar al te goed. Zijn vader had hem ook aan zijn lot overgelaten. In die zin werden Jezus en Victor letterlijk lotgenoten. (p. 249-250)

Als hem duidelijk is dat het project met zijn drieling op een mislukking uitloopt, ziet Hoppe nieuwe kansen bij een echtpaar dat onlangs een zoon heeft verloren. Lothar en Vera Weber hebben natuurlijk eerst de pastoor geraadpleegd:

'Moeten wij in Gods wil berusten?' had Vera hem gevraagd.
De priester had toen verteld over Job die door God op de proef was gesteld nadat de duivel Hem had uitgedaagd.
'God ontnam Job zijn hele hebben en houden en ook al zijn kinderen. En nog vervloekte de arme man God niet. God neemt en God geeft, zei hij. En daarna sloeg God het lichaam van Job met kwaadaardige zweren van het hoofd tot de voeten. En Job zei: Zouden wij wel het goede van God willen aannemen maar het kwade niet?'
De priester had zoals steeds veel gebaren gemaakt en met licht vibrerende stem gesproken.
'Begrijpt u wat Job bedoelt?' had hij zich tot Vera gewend. 'Jullie hebben een dak boven het hoofd, rijden in een mooie auto, Lothar heeft een prima baan... en dat alles neem je God toch ook niet kwalijk.'
'Ik wil het allemaal inruilen als ik Gunther ermee terugkrijg,' had Vera Weber verzucht.
'Het verhaal is nog niet afgelopen,' was pastoor Kaisergruber verder gegaan. 'Omdat Job in de wil van God had berust, werd hij achteraf opnieuw door Hem beloond. Luister...'
De priester had de bijbel erbij genomen en voorgelezen: 'Hij kreeg veertienduizend schapen en zesduizend kamelen, duizend koppel runderen en duizend ezelinnen. Ook kreeg hij twee maal zeven zonen en drie dochters.'
'Wat moeten wij met al die dieren?' had Lothar gevraagd.
'Je moet dat...' was de priester begonnen, maar de glimlach in Lothars gezicht had hem doen inzien dat het een grapje was.
'Ik begrijp het wel, hoor,' had Lothar gezegd en zijn vrouw had stilzwijgend geknikt. (p. 345-346)

Het stel wendt zich tot Doktor Hoppe. Hij houdt hun voor: 'U hoeft niet in Gods wil te berusten,' en herinnert hen aan het verhaal van Abraham en Sara (Gen. 18 en 21): 'Als u dat wilt, dan hebt u over een jaar om deze tijd een zoon.'
Maar ook dit experiment gaat mis, zoals alles van kwaad tot erger gaat. Hoppe kan alleen maar concluderen: dit is het werk van een tegenwerkende en wrekende God. Aan het eind van het verhaal identificeert Victor zich totaal met Jezus, wiens leven volgens hem één groot verzet tegen de Vader was. Net als Jezus gaat ook hij ten onder, niet bij machte stand te houden tegen de straffende en wrekende hand van God.

Bibliografische referenties

Stefan Brijs, De engelenmaker. Amsterdam/Antwerpen: Atlas, 2006. (4e druk)

Heeft betrekking op:

Job 1:21, Job 2:10, Job 42:12-13, Matteüs 27:46