Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

Terafim

Het Oude Testament refereert een aantal malen aan de terafim. Dit woord wordt in de Nieuwe Bijbelvertaling vertaald met ‘godenbeeldjes’, maar de etymologie is onduidelijk. Het woord komt in de bijbel alleen in de meervoudsvorm voor, ook als er van één beeld sprake is (zoals in 1 Sam. 19:13).

In Genesis 31 horen we voor de eerste keer over terafim. Als Jakob heimelijk zijn schoonvader Laban verlaat, ziet zijn vrouw Rachel haar kans schoon om de terafim van haar vader te stelen. Uit het vervolg van het verhaal blijkt dat Laban veel waarde hecht aan de beeldjes, die hij zelfs ‘mijn goden’ noemt. Hij probeert ze uit alle macht terug te krijgen (Gen. 31:19-35). Even later geeft Jakob zijn familie en zijn gevolg de opdracht om alle ‘vreemde goden’ weg te doen (Gen. 35:2). Daarmee bedoelt hij waarschijnlijk dezelfde soort godenbeeldjes als de terafim die Rachel meenam.

De terafim uit Genesis zijn klein en handzaam, een ‘zak-godenbeeld’ – Rachel kan ze immers onder haar zadel verbergen. Ze werden klaarblijkelijk individueel of in de kring van een huishouden vereerd en werden wellicht als beschermgodheid meegenomen op reis. Een verhaal uit 1 Samuël bericht echter van een levensgrote terafim: Sauls dochter Michal helpt David ontsnappen en misleidt de soldaten van haar vader door het beeld van de huisgod (terafim) in bed te leggen met een deken eroverheen (1 Sam. 19:12-17).

Net als de passage uit 1 Samuël, impliceert ook het verhaal van Micha in het bijbelboek Rechters (h. 17-18) dat de terafim niet noodzakelijk beeldjes waren van heidense, ‘vreemde’ goden. Ze vormden in een ver verleden blijkbaar een onderdeel van de cultus van de HEER. In de inventaris van Micha’s privéheiligdom voor de HEER zijn namelijk naast een houten godenbeeld en een priestergewaad ook terafim te vinden (17:5).

Dan blijft nog de vraag welke functie deze godenbeeldjes vervulden. Hierover bestaan talloze theorieën. Sommigen denken dat de beeldjes met vruchtbaarheidsrituelen te maken hadden (er zijn namelijk veel godinnenbeeldjes gevonden in het Nabije Oosten). Weer anderen denken aan geneeskrachtige goden of aan een voorvadercultus. Deze interpretaties zijn echter bijzonder moeilijk hard te maken.

Toch kan er op grond van de bijbeltekst wel iets met enige zekerheid gezegd worden over het gebruik van terafim. Diverse passages noemen ze namelijk in één adem met orakels en waarzeggerij (bijvoorbeeld Hos. 3:4 en Zach. 10:2). Het duidelijkst komt dit verband naar voren in Ezechiël 21:26, waarin de koning van Babylonië op een aantal verschillende manieren de wil van de godheid probeert te achterhalen: ‘Hij schudt de pijlen, hij raadpleegt zijn godenbeeldjes (terafim), hij bekijkt de lever.’ Misschien vervulden de terafim dus een soortgelijke functie als de urim en tunim, de orakelstenen van de hogepriester.

De terafim als beeltenis van God (en misschien dus ook als middel tot waarzeggerij) zijn in strijd met de wet van Mozes. Als koning Josia korte metten maakt met alle ‘verfoeilijke praktijken’ die in zijn rijk voorkomen, worden als voorbeelden ‘geestenbezweerders, waarzeggers, huisgoden (terafim), afgoden’ genoemd (2 Kon. 23:24).

Heeft betrekking op:

Genesis 31:19-35, Hosea 3:4, 1 Samuël 19:12-17, Rechters 17:1-18:31, Ezechiël 21:26, Zacharia 10:2