Overzicht bijbelboeken

Letteren > Drama

Theaterwerkplaats Ode - Hosea

In het seizoen 1997-1998 speelde Theaterwerkplaats Ode het stuk Hosea, een 'vierluik' gebaseerd op het gelijknamige bijbelboek.
Ode werd in 1993 opgericht als 'een werkplaats waar theater gemaakt wordt met als onuitputtelijke bron het christelijk geloof. Ode wil echter niet evangeliseren. Ode wil verrassen, verwarren en verleiden. Zij zoekt het spanningsveld tussen traditie en verandering bewust op. Daar waar het een het ander tegenspreekt, vindt Ode een vruchtbare bodem voor boeiend en contrastrijk theater.' Na negen seizoenen moest Ode in 2002 door geldgebrek opgeheven worden.
Ode heeft vaker bijbelse stof gebruikt, bijv. in Hooglied, ik heb een dode David lief, J.U.D.A.S. Een reconstructie, En een kleine jongen zal ze hoeden en Salomé.

Elk deel van het vierdelige Hosea had zijn eigen thema. Zo draaide het eerste deel om het thema 'de mens in het goddelijke plan'. In Consorte ('Hosea 2'), geschreven door Kees van der Zwaard, stond het moment centraal waarop de profeet de hoer ontmoette. De voorstelling speelde zich af in twee kamers in het bordeel; in de ene ontmoette Hosea Gomer, met een onbegrijpelijke opdracht, in de andere kamer trof een tweede prostituee haar pooier.

In het derde deel ('Hebben, hebben, hebben. Geeft, geeft, geeft.') gaven drie vrouwen en een man vorm aan de tekst 'Hun lieder zuiperij is afvallig; zij doen niet dan hoereren; hun schilden beminnen het woord: geeft' (Hosea 4:18, Statenvertaling) en de woorden 'Wij zijn niet vrij. De hemel kan nog altijd op ons hoofd vallen' (Theater van de Wreedheid, Artaud).

'Hosea 4' kende drie motto's: Hosea 11:7, een tekst van Oscar Wilde ('Each man kills the thing he loves ...') en een passage uit De nieuwe katechismus (1964) van de rooms-katholieke kerk:

Waar God zijn liefde en zijn hart toont, voelen wij ons achterblijven, ja onwillig, wrevelig. Wij verzetten ons. Dit heeft iets satanisch (zie Mc. 8, 33). Wij zijn niet bedacht op wat God, maar wat de mensen willen. Wij willen niet de uiterste liefde tot Hem en elkander. Gods intimiteit, Gods paradijs weigeren wij, en onmachtig zijn wij uit onszelf om het anders te doen.

Van de zeven scènes waaruit dit vierde deel was opgebouwd, volgen hier de eerste en de vierde.

1. OPENING

Muziek Górecki – Symphony No. 3
Hosea praat, zwijgt en praat. Rien typt op momenten dat Hosea praat, en kijkt televisie op momenten dat hij zwijgt. We zien achter drie televisies met beelden van amusementsprogramma’s. Hosea kijkt er af en toe naar. Zucht. Schenkt koffie uit een thermoskan in een plastic bekertje. Doet zijn bril af. Wrijft lang in zijn ogen. Rien steekt een sigaret op. Typt verder. Er hangt een zware, treurige sfeer.

Hosea: Ik kleed haar uit
Ik zet haar naakt neer
als op de dag van haar geboorte
Ik verander haar in uitgedroogd land
Ik laat haar sterven van de dorst
Ik versper met doorns haar weg
Met een muur sluit ik haar in
Ik neem mijn koren terug
en ook mijn wijn
Ik stel haar naaktheid ten toon
voor de ogen van haar minnaars
Ik maak een eind aan al haar plezier,
haar feestdagen, haar nieuwe maan.

Deze tekst [zinnen uit Hos. 2:5, 8, 11-13] wordt telkens herhaald.
Rien loopt om haar tafeltje heen, en gaat erop zitten.

Rien: Er leefde een man in de stad W. en die kreeg van God de boodschap dat hij moest trouwen. Met een hoer!
Met een hoer.
God vraagt deze man, een keurige, beetje ingetogen man, beetje een boekhouder te trouwen met een hoer.
Zo’n man van keurige komaf, een beetje een dweper, maar een saaie en verlegen dweper, gaat voor de eerste keer naar haar huis. Hij heeft even moeten zoeken, want hij is niet bekend in deze buurt (dat zal snel genoeg veranderen). Hij komt bij haar huis en als hij de deur, die altijd open staat, opent, deelt hij haar direkt mee: ik ben Hosea en van God moet ik je trouwen.
Tuurlijk, lieverd zegt zij, doe eerst je jas maar uit, was je handen, kijk daar, in de hoek en doe dan dat belachelijke petje af.
Zo, gaat ze verder, dus jij komt met me trouwen.
En hij doet zijn jas uit, wast zijn handen, zij wast hem daarna overal anders, want dat had hij niet begrepen, hij doet zonder morren zijn pet af, zijn belachelijke pet. En zij noodt hem met een ruim gebaar in bed.
Hosea, zei je, dat je heette? Mooie naam, past bij je. Ik wed dat je op de administratie werkt en dat je overdag droomt van een vrouw. Ja, dat je de laatste dagen fouten bent gaan maken, ernstige fouten, in de boekhouding, omdat je alleen nog maar kunt denken aan een vrouw. Geeft niet, ik ben er toch?
Maar Hosea antwoordt niet. Hij hoort haar wel (hij is niet doof!) maar hij heeft naar geen woord van wat ze zei geluisterd. Hij kijkt naar het plafond… Dan zwijgt zij ook.

Rien gaat weer zitten, typt door. Hosea praat nog steeds. Even later komt Gomer door de deur binnenlopen. Ze ziet er een beetje verdwaasd uit. Hosea weet dat ze er weer is, maar kijkt niet op. Rien kijkt wel op. Ze loopt naar achteren, en zet met een krijtje een streep op de muur. Er staan er al een aantal. Ze turft.

Gomer: Ik wil met je naar bed. Dat is alles wat ik nog weet. Ik wil met je naar bed. En verder heb ik niets te vertellen. Ik kan niet met je eten. Want ik wil met je slapen. Ik kan niet naast je zitten, want ik wil met je slapen. Ik kan niet naar je kijken, want ik wil je.
Kom, raak me aan, geef me zin. Neem me. Leg hier je handen, en daar je hoofd. Toe dan. Ik ben voor jou. Kom in me.
Asjeblieft. Ik kan nergens heen, want er is geen ander. En ik kan mijn ogen niet sluiten want dan zie ik jou. Asjeblieft. Alles in mij schreeuwt alleen maar jou.

Hosea spreekt de laatste drie zinnen samen met Gomer uit.
Hosea kijkt Gomer aan. Hij staat op, loopt naar haar toe. Staat voor haar. Hosea pakt Gomers grote trui en doet die langzaam uit terwijl hij haar aan blijft kijken. Onder de trui komt een vaal rood hoerejurkje tevoorschijn. Hosea en Gomer maken aanstalten om te gaan kussen. Rien begint te lachen.
(Cross: harde muziek Fun Lovin’ Criminals.)

4. HOER!

Hosea en Rien zijn aan het werk. Hosea praat [zie o.a. 4:15], Rien typt.

Hosea: Hoor het woord van de Heer
Zonen van Israel
Dit is de godsspraak van de Heer
Zet een bazuin aan uw mond
Bekeer u Israel
Tot de Heer uw God
Zet een bazuin aan uw mond
Rien: Die hadden we al
Hosea: De Heer sprak tot mij
Zonen van Israel
Werkelijk
De Heer heeft gesproken
Tot de zonen van Juda
Rien: Is het nou Juda of Israel?
Hosea: U Israel
Rien: Ah.
Hosea: Maak u toch niet schuldig
En ook Juda niet
Rien: Oh.
Hosea: Ga toch niet naar Gigal
Nee…
Ga toch niet naar Bet-Awen
Efraim verstomt
Hoor het woord van de Heer
Want Hij heeft gesproken

Gomer komt zachtjes binnen. Rien zet een streep op de muur. Gomer probeert een beker te pakken en te gaan zitten. Hosea kijkt haar zo doordringend aan dat ze na een korte stilte weer gaat. Ze loopt naar de deur.

Hosea: Ik wist het wel. Ik wist wel dat je weer terug zou gaan naar waar je vandaan kwam. Naar de stront, de kots op de straat. Stik er maar in. Ik hoop dat je erin stikt.
Ga maar weer lopen met je blouse open, je borsten hoog en trots, alsof ze nooit van mij zijn geweest, ik ze nooit met beide handen heb omvat, ze heb gekust met warme lippen. Doe maar of je te koop bent. Maar je bent niet te koop. Je bent verkocht.
Zit dan op je stoep, zoals ik je zag zitten, je benen losjes over elkaar geslagen, met wuivende enkels. Zit dan maar boven je stinkende goot en lach je tanden bloot, alsof je mij er nooit mee hebt gebeten.
Zet je ene voet maar voor de ander, waardoor je heupen draaien, je kont wiegt alsof ik je daar nog nooit omvat heb en je gedragen, terwijl je... Ga dan! Stink dan weg in dat hol van je dat ruikt naar zweet en vet en zaad. Donder dan op.

Stilte. Gomer gaat langzaam zitten. Hosea laat het toe.

Gomer: Weet jij wel wat een hoer is? Hoor je het woord? Het heeft in ieder geval niets met sperma te maken. Of met zweet. Hoor het, en vergeet de neonlichten, de straat, de lease-auto’s tijdens de lunchpauze. Ga voor de spiegel staan. Kijk jezelf diep in de ogen. Zeg het zachtjes tegen jezelf. Hoer. Wat hoor je.
Hosea: Kijk niet naar me. Wat weet ik ervan? Wat ben ik anders dan een werkloze profeet, die allang geen beelden meer heeft, allang geen stemmen meer hoort sinds ik jou ken.
Denk je dat ik nog ergens anders aan kan denken dan aan jou? Of je hier bent of wegloopt, denk je dat ik iets anders kan zien dan je billen, je borsten, je geur, die hier nog in huis hangt. Denk je dat ik niet veel liever, gewoon, eerzaam eenzaam was blijven doorgaan met mijn werk. Heb ik het soms gevraagd, de beelden de visioenen, de woorden, de donder die alsmaar uit mijn mond komt. Ik heb er niet om gevraagd. Ik heb niet gesolliciteerd naar een baan als profeet. Postbode zou ik willen zijn, of houthakker, maar het laatste is profeet.
Ik zou wel iets willen zeggen over de God die mij gedwongen heeft in zijn schoenen te gaan staan. Om te doen wat nooit in mij zou zijn opgekomen.
Ik zou wel een boekje willen opendoen over zijn handelen met mij en mijn vrienden en familie. Ik heb geen vrienden meer, en geen familie sinds ik jou heb. En jou heb ik niet.

Gomer staat op en loopt weg door de deur.

Bibliografische referenties

De fragmenten uit 'Hosea 4', geschreven door Natalie Holwerda en Dio van Maaren, zijn afkomstig uit het script.

Klik hier voor meer informatie over Ode en foto's uit het archief.

Heeft betrekking op:

Hosea 1:2, Hosea 2:5, Hosea 4:18, Hosea 11:7