Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Tobias en de vis

In 2001 publiceerden Huub Beurskens en Wiel Kusters in het tijdschrift Tirade een poëtische vierspraak onder de titel Tobias en de vis. Hoofdpersonen in dit gedicht - dat feitelijk als kort toneelstuk opgevoerd zou kunnen worden - zijn Tobias, zijn hond, de engel en de vis. Achtereenvolgens komen ze aan het woord om hun visie op de gebeurtenissen te geven die staan beschreven in Tobit 6:2-6. Hoewel het hier slechts een korte scene uit het boek Tobit betreft, slagen de dichters erin om door middel van subtiele heen- en terugverwijzingen de context van het hele Tobiasverhaal op te roepen. Om alle verwijzingen te vatten, zal de lezer het eigenlijke verhaal wel moeten kennen.

Huub Beurskens & Wiel Kusters - Tobias en de vis

 
Tobias:
Honger heeft mijn reisgezel noch navelgat.
Nog nooit zag ik hem staan pissen. 'Ga vissen,'
zei hij. Een bek dook op. Ik wilde een bad.
Maar ooit zal ik die vogel nog eens missen,
al heb ik dan moeder, vader, geld en schat.
Ik greep en trok het beest tussen de lissen.
De homvis maar sissen. Elke bloemsteel brak.
Mijn hond grommen. Tot mijn metgezel weer sprak.
 
De vis:
Ik voelde dat iets hogers in mij stak
dan hart en lever, vissenbloed en gal.
Ik worstelde met mij. Toen, met een smak,
wierp ik me op de kant. Hoogmoedval.
Het was een man die mij te grazen nam.
Hij legde alle water in mij lam.
 
De hond:
Wat meurt de meun waar de baas mee kwam!
Ik hou van trekken en buitenleven,
maar waar blijven de brokken? Ik ben tam!
Ik verhoopte alom loopse teven
en ruik ontsmette hokken en schuren,
de schroeilucht van veestapelvuren.
 
De engel:
'Ik neem een bad,' zei hij, 'mijn kleren schuren
van het zand.' Zelf sta ik liever in de wind,
die me zuivert van de tijd, van al die uren
dat we reisden, ziend en blind,
ik en hij. Ik wist al van de vis die hier
nu leert hoe zand aan schubben kleven kan, even
stuipt nog en dan zijn leven loslaat: aardedier.
Hij kon als ik, maar anders, hevig zweven.
Tobias moet in hem een toeval zien,
die vis waarmee hij vocht en ik hem dien.
 
Tobias:
Is bijgeloof hierin geloven misschien?
Hij raadt me hart en lever te bewaren.
Niet mee te braden. Ook de gal. Om nadien
de geesten te verjagen uit de haren
van wie — geen man keerde uit haar nacht terug
— ik aan mijn blinde vader zou laten zien...
Is de duivel in mijn gezel gevaren?
God kan het niet zijn. Er beeft iets op zijn rug.
 
De hond:
Hels kabaal maakt de kleinste mug
vergeleken met al het bewegen
van de vlerken op die vent zijn rug.
Ik kan hem niet volgen, zelfs wind tegen.
Aan die knaap zit geen lucht. Alleen voor mij
is zijn eten. Ik wil niet van zijn zij.
 
De vis:
Wat staat daar met vier poten aan zijn prij?
Of ik van doodgaan nog wat leer?
Wie ik gegeten heb is in mij vrij:
de kleine vissen uit het meer.
Hoe graag zou ik mezelf verteren.
Vervliegen zonder vin of veren. 

De engel:
Genoeg. Ik maak een eind aan mijn souffleren.
In mijn ogen ziet hij al te veel: een bruid,
een wierookpan, een geest die vlees kan deren,
dat zich zijn vader sterven ziet. 't Is uit.
Op weg weer, om de dagen te vermeren
met werkelijkheid die blindelings ontspruit
en zich niet kennen laat als nu-toen-dan.
Vooruit, Tobias boert, de vis is in de man.
 
De hond:
Ik stam van de wolven zogezegd. Van
wat dan komt die verheven dakloze?
Werd ook hij aangeteeld naar mensenplan?
Als mijn baas slaapt op karton van dozen
verdwijnt hij even naar de sterrengouw.
Vroeg hij me mee te gaan? Ik wou, wou, wou!
 
De vis:
Ik weet niet wat een graat nog zeggen zou
als ze als ik hier in de asrest lag.
Mijn lever leeft. Ik neem het niet zo nauw
en leg nog altijd woorden aan de dag.
Als dat geen wonder is, dan ben ik Tobits zoon.
Blaas toch de as aan waar ik nog in woon.
 
Tobias:
Wat ik niet betwijfel? Dat ik twijfel toon.
Een man die een volk leidde uit slavernij
wankelde even. Mijn God, wat was zijn loon!
Voor hoever bent Uzelf van het Kwade vrij?
Waar was U zonder duivel in mij? Nergens?
En waar was dan ik? Als de drie quarks zijn wij.
'Blasfemie, zo'n denkreispret!' Wie roept ergens?
Met lint zijn de erven rood-wit afgezet.
Sloten zien melkbleek. De hemel straalt als honing.
Wie er nochtans onverstoord de pas in zet?
Wat krijgt hij van mijn vader als beloning?
 
De engel:
Ik verklaar u de geheimen van de koning,
dat hij onschendbaar is, Gods werken roemt
maar ook onzichtbaar houdt, zich dienaar noemt
maar moordt tot in der weduwen woning.
Ik verduister u de raadselen van Gods werken,
laat u ze zien in kolk en ingewand,
in mengeling van vuur en ijs, in brand
en rottenis, in kiemcelgroei en zerken.
De helft van wat wij hebben meegebracht,
het stof dat nu nog aan uw voeten kleeft,
de lach waarmee uw Sara naar u lacht,
dat alles waar mijn geest hoog boven zweeft,
is maar een nietig deel van al waar God in leeft.
 
Tobias:
Nou moet ik toch eens krabben in mijn baard...
 
De hond:
Wat kwispelt daar? Verrek, dat is mijn staart.
 

Bibliografische referenties

Huub Beurskens & Wiel Kusters, 'Tobias en de vis'. In: Tirade 45 (2001) 390, p. 281-284.

Heeft betrekking op:

Tobit 6:2-6