Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Van den IX Besten

In 1336 trekt een feestelijke optocht door de straten van het Zuid-Nederlandse Atrecht, het huidige Arras. Tussen alle verklede figuren en opgetuigde wagens lopen ook negen heldhaftig uitgedoste ridders mee, die door de toeschouwers onmiddellijk worden herkend als de 'Negen Besten'. Enkele decennia eerder was in de Zuidelijke Nederlanden de gewoonte ontstaan om de negen beste ridders die de wereldgeschiedenis tot dan toe had voortgebracht - onderverdeeld in drie heidenen, drie joden en drie christenen - naast elkaar te zetten als symbool van 'eer-door-dapperheid'.

De drie heidenen waren Hector van Troje, Julius Caesar en Alexander de Grote; de joden JozuaJozua, DavidDavid en Judas MakkabeüsDe Makkabeeën-familie; en de christenen waren Arthur, Karel de Grote en Godfried van Bouillon.

Deze 'top negen' sloeg aan: binnen een relatief korte periode verspreidde het motief zich over een groot deel van Europa. In veel landen kun je nog altijd afbeeldingen van de Negen Besten vinden, zoals op de negen torens van het kasteel in het Franse Pierrefonds, die elk naar een 'beste' vernoemd zijn. Maar ze werden ook op gebruiksvoorwerpen zoals lepels en als plaatjes op kaartspelen afgebeeld. Ook zijn er verschillende dichtwerken over de Negen Besten bewaard gebleven.

Een van de oudst bekende hiervan is het gedicht Van den Negen Besten, dat in de vroege veertiende eeuw geschreven is. In een kleine duizend regels worden alle Besten op volgorde behandeld. Hier volgt de beschrijving van David volgens het zogenoemde Brusselse handschrift:

Den andren rudder willic prisen,
Die weerdich was in alre wijse
Ende onder tghesinde goet gheselle,
In stride vreeselic ende felle:
Dat was de coninc David.
Noit en was in sinen tijt
Wilder, mater no sachter,
Noch die meer haette lachter.
Als waest dat hi in sonden vel,
Hi waest altoes te beterne snel,
Ende hi viel indie hande Ons Heeren;
Ne gheene onschulde en wildi keeren
Van sinen sonden jeghen Gode,
Maer hi sprac tons Heeren ghebode:
"Ic waest, Heere, die mesdede;
Up mi ende up mine lede
Wreket, Eere, dinen evelen moet
Alsoet U selven dincket goet."
Doe hi jonghelinc was, ende herde,
Ende hi sine beesten verwaerde
Jeghen die leewen ende jeghen beeren,
Ende hi se beede slouch in de weren.
Oec slouch hi in eenen campe doot
Goliase, den ruese groot,
Die VI ellen was ende een palme was lanc.
Meneghen wijch, groot ende stranc,
Verwan hi, die noit was verwonnen.
Sinen lichame, als wi ghemercken connen,
Was gherekent jeghen dusent man.
God, om onse welvaert dan,
Gheloefde hem dat soude comen
Van hem, diemen Christ soude nomen,
Helich starf hi, ende met eeren
So wel, dat someghe willen leeren
Dat hi verrees van dode te live
Met Jhesum Christum, daer ic af scrive.
Hi starf, naer Troien over ware
By na wel driehondert jare,
Dats VIIIc ende XXX jaer te voren
Eer Jhesus Christus was gheboren.
 
(Ik wil de volgende ridder eren, die in alle opzichten edel was en goed voor zijn volgelingen zorgde. In de strijd was hij vreeswekkend en verbeten; ik heb het over koning David. Niemand in zijn tijd was vreeswekkender maar ook zachtmoediger, en niemand haatte schande meer dan hij. Ook al viel hij wel eens in zonde, hij was er altijd snel bij om z'n leven te beteren. Als hij in de handen van onze Heer viel probeerde hij zich niet vrij te pleiten van zijn zonde tegen God, maar sprak tegen onze Heer: "Ik was het, Heer, die zondigde. Wreek uw boosheid maar op mij en op mijn lichaam, zoals het u goeddunkt." Toen hij als jongeling herder was, verdedigde hij zijn beesten tegen leeuwen en beren, die hij beide versloeg. Ook sloeg hij Goliat, de reus, in een tweegevecht dood, die wel zes el en een palm lang was. Menige grote en langdurige strijd heeft hij gewonnen. Nooit werd hij overwonnen. Zijn lichaam was - zoals we wel merken - bestand tegen duizend man. God beloofde hem - tot ons heil - dat uit hem iemand zou komen die Christus genoemd zou worden. Hij stierf in heiligheid en met eer, zozeer zelfs dat sommigen beweren dat hij samen met Jezus Christus uit de dood is opgestaan. Daar schrijf ik (elders) over. Hij stierf bijna driehonderd jaar na [de val van] Troje. Dat is achthonderddertig jaar voordat Jezus Christus werd geboren.)

Zie ook

  • Toon terzijde Der IX Quaesten

Bibliografische referenties

Wim van Anrooij, Helden van weleer. De Negen Besten in de Nederlanden (1300-1700). Amsterdam: Amsterdam University Press, 1997.

Heeft betrekking op:

Jozua 1:1-9, 1 Samuël 16:1-13, 1 Makkabeeën 1:1-7, 1 Makkabeeën 3:1-9