Overzicht bijbelboeken

Over > Interpretatie

Verwoestende gruwel

Aan het eind van Daniël 9 wordt de komst van een heidense vorst geprofeteerd die de dienst aan God zal afschaffen en een ‘verwoesting brengende gruwel’ zal meebrengen (Dan. 9:26-27). In Dan. 11:31 en 12:11 wordt over een ‘verwoesting brengend afgodsbeeld’ gesproken. Het is de algemene consensus dat deze profetieën de Griekse koning Antiochus IV Epiphanes op het oog hebben. Deze koning, met zijn in Joodse ogen blasfemische bijnaam – ‘Epiphanes’ betekent zoiets als ‘god op aarde’ – regeerde van 175 tot 164 v. Chr. Hij was afkomstig uit het huis van de Seleukiden, genaamd naar Seleukos, de generaal die na de dood van Alexander de Grote koning van het oude Nabije Oosten werd. De Joden waren lange tijd onderworpen aan deze Griekse koningsdynastie.

Terug naar de profetie in Daniël. De ‘verwoestende gruwel’ is het afgodsbeeld dat Antiochus in het jaar 167 v. Chr. in de tempel van Jeruzalem liet oprichten, boven op het brandofferaltaar. Het deuterocanonieke boek 1 Makkabeeën omschrijft deze heiligschennis met dezelfde frase als de profetie in Daniël: Antiochus liet ‘een verwoestende gruwel op het altaar bouwen’ (1 Makk. 1:54). Verder verbood Antiochus de dienst aan God en liet hij iedereen terechtstellen die ‘volgens de wet leefde’ (1:57). Het afgodsbeeld dat hij oprichtte was waarschijnlijk dat van de Griekse god Zeus Olympios; 2 Makk. 6:2 vermeldt dat de tempel in Jeruzalem naar deze godheid werd genoemd.

Aan de ‘verwoestende gruwel’ kwam een eind toen de Joden succesvol weerstand boden aan de Griekse overheersers en Antiochus versloegen. Onder Judas de Makkabeeër werd de tempel van Jeruzalem gereinigd en opnieuw ingewijd (1 Makk. 4:36-61; deze gebeurtenis wordt vandaag nog steeds gevierd door de Joden, tijdens het achtdaagse Chanoeka in november/december).

Aangezien de profetie van Daniël over de verwoestende gruwel ‘vervuld’ schijnt te zijn, is het verwonderlijk dat in het Nieuwe Testament, in de synoptische evangeliën, dezelfde term opnieuw opduikt. De context is, net als in Daniël, een profetie over de eindtijd. Als Jezus spreekt over de verdrukking en de rampen die vooraf zullen gaan aan de komst van de Mensenzoon, zegt hij op een gegeven moment: ‘Wanneer jullie dus de “verwoestende gruwel” waarover gesproken is door de profeet Daniël, zien staan op de heilige plaats …, dan moet iedereen in Judea de bergen in vluchten’ (Matt. 24:15-16; vergelijk de parallelle passages in Marcus 13:14 en Lucas 21:20).

Sommige geleerden interpreteren deze passages als een profetie van een historische gebeurtenis in nieuwtestamentische tijden, vergelijkbaar met de tempelschennis van Antiochus in 167 v. Chr. Een van de gebeurtenissen waaraan dan bijvoorbeeld gedacht wordt, is het plan van de Romeinse keizer Caligula zijn beeld op te richten in de tempel (in 39/40 n. Chr.; dit gebeurde uiteindelijk niet, vanwege de dood van de keizer, maar had wel bijna tot een opstand geleid in Judea). Ook worden de gebeurtenissen rond de verwoesting van de tempel in 70 n. Chr., tijdens de eerste Joodse Opstand, aangevoerd als verklaring.

Anderen zien geen heil in een dergelijke specifieke historische interpretatie en zien de tekst als een aankondiging van de komst van een ‘antichrist’-figuur, die God zal tegenstreven en de gelovigen zal verdrukken en verleiden. Deze persoon is dan vergelijkbaar met de ‘wetteloze mens’ die Paulus beschrijft in zijn tweede brief aan de Tessalonicenzen (2:3-10) en met het ‘beest’ van Openbaring 13.

Heeft betrekking op:

Daniël 9:26-27, 1 Makkabeeën 1:54, 1 Makkabeeën 6:7, Marcus 13:14, Lucas 21:20, Matteüs 24:15