Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Vondel - Pinxterzang

Uit het omvangrijke oeuvre dat Joost van den Vondel (1587-1679) tijdens zijn lange leven bij elkaar geschreven heeft, is deze Pinxterzang één van zijn vroege gedichten. Hij schreef het in 1618. Boven het gedicht stond: ‘In dit Pincxter Liedt wert ghedacht de wonderbaerlijcke nederdalinghe des heylighen gheestes op de hoofden ende herten der Apostelen, mitsgaders de vruchtbare werckinghe des selvighen.’ In de oude uitgave staat links naast het lied ‘Act. 2’, daarmee wordt hoofdstuk 2 van het boek Handelingen bedoeld. Het gedicht volgt de tekst van de verzen 1-42.

Pinxterzang
na de wijze: van Mariae Lof-zang
 
          Na Christi Hemelvaert
D’Apostelen vergaert,
Eendrachtelijck te gader:
Verwachten van haer Hooft
Den Trooster die belooft
Haer was van God den Vader.
          De Pincxter-feest verscheen,
Al snellijck viel beneen,
De gheest daer elck op hoopte
Die als een wints ghedruys,
Terstont vervulde ’thuys:
En met den vyer* haer doopte. [*vuur]
          De twaelve sachmen hier,
Om scheenen met een vyer:
Om straelt met vyerghe tonghen,
Haer sprake sonder tolck,
Verbaesde ’tuytHeemsch volck,
Van alsins inghedronghen.

De apostelen verbaasden de vreemdelingen, die uit alle windstreken naar Jeruzalem gekomen waren, ten zeerste. Ieder hoorde de toespraken van de apostelen in zijn eigen taal. Maar niet alle toehoorders zagen dit als een godswonder, sommigen zeiden: ‘sy zijn versopen inden wijn’. Vondel haalt in zijn gedicht de passage uit Handelingen 2:14-21 aan. De apostelen zijn niet dronken, dit is de profetie van Joël die bewaarheid wordt.

          O wonder is’t (segt d’een)
Dat die van Galileen,
Al ’swerelts talen konnen.
Een ander segt: sy zijn
Versopen inden wijn,
En vanden dronck verwonnen.
          Neen, neen (roept Petrus bly)
’Tis Ioëls prophecy,
Die God aen ons vervulden
Ten eynde Iacobs huys
Werd kondich, wie aen’t kruys,
Nam op hem ’swerelts schulden.

Petrus woorden overtuigen velen in de menigte. Drieduizend mensen bekeren zich die dag en leiden vanaf dan een gelovig leven, waarin ze veel bidden en alles gemeenschappelijk hebben.

          Den Hamer Gods hier strack,
De steenen herten brack:
Wy sijn al schuldich vonden
Aen ’sHeeren bloedt! wat raet?
Elck een (segt Petrus) laet
Afwasschen al sijn sonden.
          Drij duysent zielen daer,
Boetveerdich wonderbaer,
Haer Christi niet en schamen.
Sy volghen Iesus wet
Sy waecken in’t ghebedt
En zijn een ziele t’samen.

Bibliografische referenties

De werken van Vondel, Wereldbibliotheek-editie, deel I, Amsterdam, 1927.

Heeft betrekking op:

Joël 2:28-32, Handelingen 2:1-42