Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Vondels helden: Tobias

Een van de 'Helden Godes' die Joost van den Vondel in zijn gelijknamige werkJoost van den Vondel – De Helden Godes beschrijft, is Tobias. Daarmee bedoelt hij de vader, die wij kennen als Tobit. Vondel baseert zich vooral op de eerste twee hoofdstukken van Tobit, waarin die zijn eigen vroomheid beschrijft. De gravure is een illustratie bij Tobit 2:7, waarin Tobit schrijft 'Zodra het donker was geworden, dolf ik een graf en begroef mijn volksgenoot', wat hem op de spot van zijn buren kwam te staan.

Tobias vreesde God meer als den Koningh, en droegh de verslagene heymelyck te zamen, en behieltze heymelyck in zyn huys, en des nachts begroef hyse.

De godvreezende.
Het herte Naphthali zal trotzer als voorhenen
Zijn hoornen steken op, en met zyn rancke beenen
Opsteygeren 't geberghte, om dat zijn doode faem
Is opgeweckt door my, die vroegh den grooten naem
Des grooten Gods aenriep, en die om niemands halven
Bevleckte mijn gemoed, doen elck de gulde kalven
Ieroboams aenbad, maer nae des hooghsten stem
Myn eerstelingen steeds bracht te Ierusalem,
Tot dat met Isr'el ick vervoerd de boey most slepen,
Daer Ninive gevryd word van d'uytheemsche schepen,
En daer als and're noyt mijn lippen zijn besmet
Met 't voedzel ons zo strengh verboon van Moyses wet:
Dies God mijn vromigheyd my komen liet te stade,
Als 't hert des Assyriers hy roerde met genade.
Myn vryheyd nu erlanght, ick evenwel verplicht
My hiel te dwaden der bedroefden aengezicht,
Tot dat Senacherib ontzey al wie my hoofde:
Wiens gramschap ick ontsloop als hy myn have roofde,
Doen ick mijn broed'ren [die hy in zijn grimmigheyd
Versloegh] gekist hadde, en in 't heymlijck graf geleyd.
Der dooden uytvaert was my liever als mijn eten,
Zoo flucx de bleecke dood het leven had verbeten.
Doch mijn godvruchtigheyd leed wederom aenstoot
Doen eenen zwaluwdreck mijns lichaems vensters sloot
Daer 't morgenlicht door scheen: en of wel mynen rouwe
Met schimp ophoopten noch mijn magen, en mijn vrouwe,
Noch hiel mijn vroomheyd aen: mijn yver noch bekleef
Als ick in 't hert mijns zoons die gulde lessen schreef.
Geprangt van armoede ick mijns ouwdheyds kruck in Meden
Nae Gabel zond om 't geld: maer d'Engel Gods met vreden
Hem we'er betreden de' den dorpel van myn huys,
Met zynen bruytschat, en zijn Sara hupsch en kuysch.
Myn lichten zagen 't licht dat zoo langh was gedoken,
Tot dat ick levens zat, myn kind'ren d'oogen loken.

Zie ook

  • Toon terzijde Joost van den Vondel – De Helden Godes

Bibliografische referenties

Vondel, Volledige dichtwerken en oorspronkelijk proza. Verzorgd door Albert Verwey, opnieuw uitgegeven met een inleiding door Mieke B. Smits-Veldt en Marijke Spies. Amsterdam: Becht, 1986, p. 122.

Heeft betrekking op:

Tobit 2:7