Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Vonne van der Meer - Zondagavond

Zondagavond is de avond die Freeke Blauwhuis altijd bij haar bejaarde vader doorbrengt. Maar deze zondagavond gaat alles anders: zij heeft een afspraakje met een man gemaakt en kan dus niet blijven, en uitgerekend nu wil de oude Robert Blauwhuis haar iets vertellen wat hem al tijden dwars zit. Het gaat over het Joodse kind dat hij in de oorlog uit de handen van de Duitsers gered heeft. De verhouding tussen deze Mila Salomons en Freeke is gespannen, maar ook Blauwhuis zelf heeft grote moeite om zijn houding tegenover de inmiddels volwassen vrouw te bepalen. Hij voelt zich sterk tot haar aangetrokken, maar hij weet ook dat het verhaal van haar redding ànders gaat dan iedereen denkt. Op deze bewuste zondagavond grijpt hij de kans om Mila het ware verhaal te vertellen. Het zijn ook gelijk ongeveer z'n laatste woorden, want aan het eind van de avond komt hij in de badkamer ten val en glijdt weg in een coma.

Dit zijn wat grote lijnen in de roman Zondagavond van Vonne van der Meer. Het zou niet aardig zijn om hier de plot verder te onthullen, dus we zullen ons beperken tot de bijbelse elementen in het boek. Het meest uitvoerig komt de bijbel aan bod in het hoofdstuk 'Laatste sacrament' (p. 132-143). Dat speelt zich af in het ziekenhuis, waar een priester Robert Blauwhuis komt bedienen. Blauwhuis is in coma, maar hij maakt het hele ritueel van de ziekenzalving 'van binnenuit' mee. Rond zijn bed staan zijn dierbaren, waaronder Freeke en Mila.

De priester buigt zich naar hem toe. 'Ik leg nu mijn hand op uw hoofd en vraag ook de anderen hun handen op uw lichaam te leggen.'
Hun lichamen nog dichterbij. Geritsel van kleren, iets metaligs schuurt langs de rand van het bed. Hij stelt zich voor dat de een zijn enkel omvat, de ander zijn hand, pols, schouder. Hij de boom, zij de takken. (...)
De priester slaat een boek open. 'Dan lees ik nu uit de brief van Jakobus: "Is iemand van u ziek? Laat hij de oudsten van de gemeente roepen; zij moeten een gebed over hem uitspreken en hem met olie zalven in de naam van de Heer. En het gelovige gebed zal de zieke redden en de Heer zal hem oprichten. En als hij zonden heeft begaan, zal het hem vergeven worden."'
Hij slaat de bijbel dicht.
'Uw kinderen, Freeke en Pieter, uw kleinzoon Jochem en uw vrienden Mila en Joy staan om u heen. U ziet ze niet, maar ze zijn er wel. Als u kon praten, zou ik u nu de biecht afnemen. Dat kan niet meer, het is nu tussen u en God. Maar ik zal u helpen, ook al weet ik niet of u mij hoort. In uw leven hebt u ongetwijfeld dingen gedaan waar u berouw van hebt. Het berouw zelf is een gave. Komt de mens met zijn berouw bij God, dan is de levende God al in hem, en Hij is het die hem het berouw geschonken heeft.' De priester wacht even. 'Als een van u uw vader nog iets te zeggen heeft, aarzel niet.'
Er valt een stilte.
Hun stemmen, voor het laatst misschien. Het dringt nu pas goed tot hem door. Een zin die hij eens gelezen heeft, flitst door zijn hoofd: Waar ik heen ga, kunt gij mij niet volgen. Later wel. Dan buigt de priester zich weer over hem heen. 'Ik weet niet of u mijn hand voelt maar ik zalf nu uw oren.'
Hoe ging het bij zijn grootvader? Een watje, wat olie, een teder gebaar, zoals Evelyne de billen van Freeke en Pieter depte, vlak na het baden.
'In uw werkzame leven als advocaat hebt u uren en uren moeten luisteren. Wij danken u dat u zoveel mensen hebt aangehoord. Maar misschien hebt u zich ook wel eens doof gehouden, thuis of op het werk, en hebt u mensen gekwetst. Misschien hebben anderen niet altijd gehoord wat u zei en u daarmee pijn gedaan. Vergeef hen dan opdat ook u vergeven zult worden.'
Het blijft even stil. De oude man ademt zwaar als hij zich vooroverbuigt om het watje opnieuw in de olie te deppen. (...)
'Dan zalf ik nu uw lippen, de mond waarmee u gesproken hebt. De mond waarmee u vlak na uw geboorte uw eerste kreet hebt geslaakt en uw laatste woorden hebt gesproken. De mond, waarmee u uw kinderen heeft leren spreken. Alles wat u met deze mond gezegd hebt maar niet had willen zeggen, alles wat u had willen zeggen, maar niet gezegd hebt - het is u vergeven.'
Alles wat u had willen zeggen, maar niet gezegd hebt... Vergiffenis... (...)
'Dan zalf ik nu uw neus, de neusgaten waardoor u ademhaalt. (...)'
'Kent een van u misschien het verhaal van de dood van Mozes?' [Deut. 34]
'Robert had het nog over Mozes in het biezen mandje,' fluistert Mila. [Ex. 2]
'Weet u nog hoe hij vanuit de vlakte van Moab de berg Nebo opging? En God liet hem het hele land zien en zei: "Dat is nu het land dat ik aan Abraham en Isaak en Jakob onder ede beloofd heb en waarvan ik gezegd heb: aan uw nakomelingen zal ik het geven. Ik heb het u met uw eigen ogen laten zien, ofschoon u de overtocht niet zult meemaken." Volgens een oude overlevering van een rabbijn ging Mozes toen liggen en God zei: "Ik wil je de dood niet onthouden." En God kuste Mozes op de lippen en de ziel van Mozes ging over in God.
Dan zalf ik nu uw oogleden. Twee├źnzeventig jaar hebt u met deze ogen naar de wereld gekeken, verwonderd, verschrikt. Zoveel hebben deze ogen gezien.' (...)
'Ik zalf uw handen, de handen die uw kinderen hebben gedragen, vastgehouden, voor gevaar behoed.'

Daarna worden nog de voeten gezalfd, het voorhoofd en het hart. Vervolgens bidt de priester het onzevader. Ten slotte vraagt hij Freeke een psalm voor te lezen.

'Deze, nummer honderdnegenendertig?' vraagt ze.
'Ja, tot hier.'
Ze schraapt haar keel, begint te lezen.

'Heer, U doorgrondt mij en kent mij,
U kent mijn zitten en opstaan,
al van verre doorziet U mijn gedachten,
van mijn gaan en komen kent U de maat,
U bent vertrouwd met al mijn gangen,
geen woord komt over mijn tong
of U kent het, Heer, U kent het volkomen,
van voor tot achter omvat U mij,
U hebt uw hand op mij gelegd.
Uw kennen is mij wondervreemd,
te hoog om erbij te kunnen.'

Robert Blauwhuis kan de voorlezing van de psalm volgen tot in vers 15, daarna dringen alleen nog enkele losse woorden tot hem door. (Maar de priester zou de lezing ongetwijfeld toch bij vers 19 laten stoppen.)

Bibliografische referenties

Vonne van der Meer, Zondagavond. Amsterdam/Antwerpen: Contact, 2009

Heeft betrekking op:

Jakobus 5:14-15, Johannes 13:36, Deuteronomium 34:1-6, Psalm 139:1-6