Overzicht bijbelboeken

Cultuur > Varia

Voor boven de 18

De bijbel bevat heel wat passages die preutse lezers ernstig in verlegenheid kunnen brengen. De bijbelschrijvers winden geen doekjes om zaken die zulke lezers eigenlijk liever onbesproken laten. Dat leidt tot een merkwaardige spanning, die soms ook beoogd is: met name de profeten wilden hun gehoor door hun directe taal en beelden choqueren, verontrusten, wakker schudden.

Multatuli schreef over de bijbel: 'Hoe kunnen ouders hun kinderen een boek in-handen geven, dat onovertroffen is in schandelyke taal en walgelyke vuiligheden? Wie 't ontkent, heeft nooit dat boek gelezen. Met welk recht weert men de werken van De Sade, Pigault, Lebrun of Paul De Kock uit z'n huis, als men z'n dochters de geschiedenissen in-handen geeft van ABRAHAM, LOTH, JACOB, JUDA, RUTH, DELILA, JUDITH, RACHAB, BATHSEBA en konsorten?' Maar Multatuli had persoonlijk helemaal geen problemen heeft met deze kant van de bijbel. Zijn kritiek richtte zich op de christenen die de bijbelse 'vuiligheden' probeerden te verdoezelen door het boek heilig te verklaren; daarmee namen ze de bijbel niet zoals hij was, maar modelleerden ze hem naar hun eigen fatsoen. (Zie het terzijde Ontbijten met EzechiëlOntbijten met Ezechiël.)

n.v.t
Kijkwijzer

Bij ten minste twee hoofdstukken in het bijbelboek Ezechiël zou een 'kijkwijzer' ook in onze dagen vermoedelijk nog een waarschuwend icoontje plaatsen. Het zijn de uitvoerige allegorieën van hoofdstuk 16 en 23. In beide hoofdstukken wordt de ontrouw ('hoererij', overspel) van het volk tegenover God bijzonder plastisch verwoord. (Zie ook het terzijde God als echtgenootGod als echtgenoot.)

Multatuli's tijdgenoot Cd. Busken Huet was bepaald geen bekrompen mens. Maar in een bespreking van het opstel 'Nineveh en de Heilige Schrift' van dr. J.J. van Oosterzee gaf hij te kennen dat men jonge mensen niet tot het lezen van Ezechiël moest aanzetten. Hij vond dat ongepast en herinnerde eraan dat in oude tijden leerlingen beneden de 30 dat profetenboek niet mochten lezen:

Van enkele bedenkingen, die onder het lezen bij mij oprezen, betreft slechts één den vorm. 'Hebt gij,' vraagt de redenaar zijne hoorders en hoorderessen, 'hebt gij bij het lezen van den profeet Ezechiel wel eens opgemerkt, op wat hoogst eigenaardige wijze hij de misdadige verhouding van Juda tot Assur beschrijft?'
Als hulpmiddel tot verlevendiging van den stijl is zulk eene vraag zeker goed en geoorloofd, ook al houdt de spreker zich overtuigd dat niemand der aanwezigen ooit een blik in het aangehaald werk sloeg. Doch deze reis was de kunstgreep niet gelukkig. De door den redenaar bedoelde plaats uit Ezechiel is eene historie, misschien bij ongeluk aan deze of gene onzer beschaafde vrouwen bekend, doch waaraan de welvoegelijkheid verbiedt te herinneren als aan een lijfstukje. De rabbijnen van den ouden tijd lieten niet toe, dat leerlingen beneden de dertig jaren den profeet Ezechiel lazen. Wij wenschen dat Dr. van Oosterzee's redekunstige figuren zoo min mogelijk worden gebruikt om den nederlandschen jongelingen- en jufferstoet over te halen tot eene lektuur die den joodschen werd ontzegd.

Bibliografische referenties

Cd. Busken Huet, Litterarische fantasien en kritieken dl. 14 (1882), p. 20. [De volledige tekst is te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Ezechiël 16:1, Ezechiël 23:1