Overzicht bijbelboeken

Over > Interpretatie

Vrijplaatsen

In Israël waren zes steden aangewezen als ‘vrijplaatsen’ of ‘vrijsteden’. Daar kon iedereen die onopzettelijk een medemens had gedood naartoe vluchten. Als de vluchteling binnen de stadsmuren was, mocht hem geen haar gekrenkt worden. Hij kon zonder voor zijn leven te hoeven vrezen zijn proces afwachten. Dit wordt ook wel ‘asiel’ genoemd.

Tempelasiel

Veel culturen in de Oudheid kenden tempelasiel. Mensen die hun toevlucht hadden gezocht in een tempel, mochten daar niet met geweld verwijderd worden, en al helemaal niet gedood worden – de godheid van wie de tempel was, garandeerde hun veiligheid. Dit gebruik werd in de Middeleeuwen voortgezet in het zogenaamde kerkasiel.

In 1 Koningen staan twee voorbeelden van tempelasiel in het oude Israël. In 1:50 vlucht troonpretendent Adonia naar het heiligdom en grijpt de horens van het altaar vast. Zijn broer Salomo, voor wie hij op de vlucht is, eerbiedigt het tempelasiel en belooft dat Adonia geen haar gekrenkt wordt – al laat hij hem later alsnog ombrengen. In het geval van Joab eerbiedigt Salomo het tempelasiel niet: als blijkt dat Joab niet van plan is het heiligdom te verlaten, wordt hij ter dood gebracht terwijl hij zich vastklampt aan het altaar (1 Kon. 2:28-35).

Vrijsteden

De eerste keer dat we iets over ‘vrijplaatsen’ vernemen, is in Exodus 21:13. Daar wordt eerst een onderscheid gemaakt tussen een onopzettelijke moord en moord met voorbedachten rade. Op dat laatste staat onherroepelijk de doodstraf, maar iemand die onbedoeld iemand gedood heeft, kan ‘vluchten naar een plaats die ik jullie zal aanwijzen’. In Numeri 35:9-15 zegt de HEER dat er zes vrijsteden moeten komen, drie ten westen en drie ten oosten van de Jordaan, voor iedereen die ‘zonder opzet een ander heeft gedood’. Zowel Israëlieten als vreemdelingen mogen daarvan gebruikmaken.

In Deut. 4 worden voor het eerst vrijsteden geïdentificeerd: Mozes wijst er ten oosten van de Jordaan drie aan, Beser, Ramot en Golan. In Deut. 19:1-13 staat de opdracht nog drie andere steden ten westen van de Jordaan aan te wijzen, als Kanaän eenmaal veroverd is. Ook hier wordt benadrukt dat alleen zij die per ongeluk iemand hebben gedood, zonder het slachtoffer ooit gehaat te hebben, naar een vrijplaats mogen uitwijken. Bijvoorbeeld als tijdens houthakken het blad van de steel schiet en iemand dodelijk treft (Deut. 19:5).

In Jozua 20, als de verovering van Kanaän een feit is, worden de laatste drie steden geïdentificeerd: Kedes, Sichem en Kirjan-Arba. We vinden daar ook een extra regel voor de vrijplaatsen: voordat een moordenaar de stad mag betreden, moet hij eerst zijn zaak voorleggen aan de oudsten in de stadspoort. Ten slotte is er nog een obscure opmerking dat de vluchteling na zijn proces in de vrijstad mag blijven wonen tot de dood van de zittende hogepriester (20:6). In Jozua 21 wordt duidelijk dat de vrijsteden tegelijk ook levietenstedenDe levietensteden zijn.

De levietensteden

De bloedwreker

In de passages over vrijplaatsen is er vaak een dreiging te voelen op de achtergrond. Waarom moet een onopzettelijke moordenaar zo vrezen voor zijn leven? Waarom kan zijn zaak niet in zijn geboorteplaats voor een rechter komen? De oorzaak van zijn levensgevaar is de ‘bloedwreker’. Dat is de persoon die de taak heeft een vermoord familielid te wreken. Losser

Deze bloedwreker zal belust zijn op wraak en zich daarom niet gauw afvragen of er al dan niet opzet in het spel was. Maar zijn wraakneming is niet terecht bij een onopzettelijke moord (Deut. 19:6). De vrijplaatsen moeten er dus voor zorgen dat een bloedwreker geen onschuldig bloed vergiet.

Heeft betrekking op:

Exodus 21:13, Ezechiël 9:7, Numeri 35:6, Deuteronomium 4:41-43, Deuteronomium 19:1-13, Jozua 21:1-42, Jozua 20:2, 1 Koningen 1:50, 1 Koningen 2:28-35, 1 Kronieken 6:54-81