Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

Vrouwen, tempel en cultus

Elke beschouwing van de rol van vrouwen in de bijbel zal moeten beginnen met de observatie dat de cultuur van het oude Israël, zoals alle culturen van het oude Nabije Oosten, patriarchaal was. Dit betekent dat het publieke culturele en religieuze domein vooral werd betreden door mannen. Vrouwen bewogen zich vooral binnen het gezin – als echtgenote en moeder of als dochter en bruid.

Het is tekenend dat het oude Hebreeuws geen vrouwelijke vorm van het woord ‘priester’ kent. De eredienst in de tempel was een exclusief mannelijke aangelegenheid en vrouwen hadden geen toegang tot priesterlijke functies.

Dit wil natuurlijk niet zeggen dat vrouwen bij de godsdienstoefening helemaal buiten spel staan. Vooral in een vroege historische context – dus voordat er koningen waren in Israël – lezen we over vrouwen die zich met de cultus bezighouden. Zo zijn er de vrouwen die ‘dienst deden bij de ingang van de ontmoetingstent’ (Ex. 38:8; 1 Sam. 2:22 - wat die dienst precies inhield is onduidelijk) en worden er een aantal profetessen met name genoemd: DeboraDebora (Re. 4:4-16), Chulda (2 Kon. 22:14-20) en Noadja (Neh. 6:14). Mirjam, de zuster van Mozes, in Exodus 15:20 ‘profetes’ genoemd, heeft een bijzondere plaats in de bijbelse overlevering. Haar optreden samen met Aäron tegenover Mozes, zoals dat beschreven is in Numeri 12, impliceert dat zij een priesterlijke rol vervulde (zie ook Micha 6:4). Mirjam is ook de eerste vrouw die voorgaat in een reidansReidans; deze reidansen zijn bij uitstek een vrouwenaangelegenheid en zijn cultisch van karakter.

In dit kader willen we ten slotte nog de aandacht vestigen op de religieuze poëzie (liederen) die in de bijbel aan vrouwen wordt toegeschreven. Allereerst is er het beroemde refrein van Mirjam (Ex. 15:19-21) aan de Rietzee: ‘Zing voor de HEER, zijn macht en majesteit zijn groot! Paarden en ruiters wierp hij in zee’. In het boek Rechters vinden we het prachtige gedicht van de rechter Debora (5:2-31) en in 1 Samuël 2:1-10 staat het ‘gebed’ van Hanna beschreven. De profeet Jeremia spreekt van klaagvrouwen (9:16-17) en moeders die hun dochters de woorden van een klaaglied leren (9:20) – ‘De dood is door onze vensters binnengekomen’.

Heeft betrekking op:

Exodus 15:20, Ezechiël 32:16, Jeremia 9:19, Leviticus 21:1