Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

W.R. van Hoëvell - Slaven en vrijen

Of dit boek van ds. Wolter Robert baron van Hoëvell als literair proza beschouwd kan worden, is de vraag. Of is dat niet relevant bij een oprechte aanklacht tegen misstanden? Denk aan hoe Multatuli zich er een paar jaar later over beklaagt dat het gros van de lezers van Max Havelaar niet verder komt dan 'Wat schrijf je mooi!' ...

Van Hoëvell is predikant en wordt als liberaal in 1848 lid van de Tweede Kamer. Hij maakt naam als strijder tegen de misstanden in Nederlands-Indië, o.a. in de novelle Eene slaven-vendutie (1853). Een jaar later stelt Van Hoëvell in Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet de wantoestanden in de West aan de kaak. Er is geen uitvoeriger beschrijving bekend van de ellendige toestand waarin de 40.000 Surinaamse slaven van de eerste helft van de 19de eeuw verkeerden, van het optreden tegen de weglopers en van de patrouilles die werden georganiseerd om hen op te sporen.

Het boek is een merkwaardige mengeling van genres: essay, reisverslag, landenbeschrijving, fictioneel proza en pamflet. Van Hoëvell heeft het een motto meegegeven dat hij aan de bijbel ontleent:

Ziet, het loon der werklieden, die uwe landen gemaaid hebben, 't welk door u verkort is, roept: en het geschrei dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de ooren des Heeren Sebaoth. Jak. V: 4.

Een van de kwesties die Van Hoëvell aan de orde stelt, is het feit dat de Nederlandse overheid helemaal niets geregeld heeft voor het onderwijs en de godsdienstige opvoeding van de slaven. Hij voert zijn critici sprekend op:

- ‘Welk eene dwaasheid!’ zegt de een. 'De negers behoefte aan onderwijs en godsdienst? Nu gij kent dat verachtelijke ras niet, anders zoudt gij zóó niet spreken!’
- ‘De negers onze natuurgenooten, onze broeders?’ vraagt een ander. ‘Ik ben u zeer erkentelijk voor de onderscheiding, waarmede gij mij vereert! Maar als gij die “broeders en zusters” wat meer van nabij kendet, zoudt gij op zulk eene bloedverwantschap evenmin trotsch zijn als ik!’
- ‘Zoudt gij dan waarlijk eene verpligting voor den meester in de reglementen willen schrijven, om hunne slaven eene fatsoenlijke opvoeding te geven?’ roept een derde. ‘Dan was het spoedig met deze kolonie, met onze bezittingen en met ons gedaan! Dan zouden zij ons weldra de wetten voorschrijven, ons, hunne meesters, verdrijven en doodslaan, en zich zelven ongelukkig maken; want negers kunnen zich zelven niet regeren. Zie maar op St. Domingo.’
- ‘En 't zou u wat helpen,’ verzekert een vierde. ‘Men mag zeggen wat men wil, maar 't negerras is voor geen arbeid met het hoofd, geene ontwikkeling van den geest geschikt. Er zijn allerlei soorten van hondenrassen, sommigen, als de poedels en jagthonden, die men alles kan leeren, anderen die altoos dom blijven. Zoo is 't ook met de menschen. Sommige menschenrassen, gelijk bij voorbeeld het onze, zijn tot hoogere geestbeschaving en daardoor voor de belijdenis eener meer zuivere godsdienst geschikt. Bij anderen zou daartoe alle moeite vergeefs zijn. Dat is nu door den Schepper eenmaal zoo verordend. Wilt gij wijzer wezen, dan de Maker zelf, dan kunt gij de zaken wel in de war helpen, maar daarom zal de neger toch niet veranderen. Laat de slaven maar bij hunne voorvaderlijke godsdienstige begrippen; die passen juist voor hen, en anderen krijgt gij er toch niet in.’ (dl. 2, p. 90-91)

Aan het eind van dit hoofdstuk schrijft Van Hoëvell:

Christendom en slavernij! Zouden beiden zich op den duur met elkander verdragen? Wij gelooven het niet. Het Christendom zal de slaven vrij maken. Van het Evangelie hebben zij nu reeds kracht en troost, om de slavenboeijen te dragen zonder vertwijfeling; aan het Evangelie zullen zij eens hunne emancipatie te danken hebben!

In zijn Naschrift bij de 2e druk (1855) spreekt Van Hoëvell de wens uit 'dat dit boek, 't welk, onder Gods zegen, reeds in menig hart afkeer en afschuw van de slavernij heeft opgewekt, zijne reis door Nederland mag vervolgen, en zoodanig dien afschuw moge voortplanten, dat de handhaving der slavernij onmogelijk wordt!'

Bibliografische referenties

W.R. van Hoëvell, Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet (2 dln.) Zaltbommel: Joh. Noman en Zoon, 1854. [De volledige tekst is te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Jakobus 5:4