Overzicht bijbelboeken

Cultuur > Varia

Wetenschap om God te leren kennen

Peter Alma
Wetenschap in de 17e en 18e eeuw

In de loop van de zeventiende en achttiende eeuw namen de natuurwetenschappen een enorme vlucht. Maar het ging in deze periode er nog niet om een tweede wereldbeeld te ontwikkelen als alternatief voor het bijbelse. Men beoefende de wetenschap nog helemaal in de lijn van het boek Wijsheid: wijsheid komt voort uit kennis, 'verlangen naar onderricht is haar liefhebben' (Wijsheid 6:18). Die wijsheid groeit als men inzicht krijgt in de kosmos, in de werking van de elementen, de aard van de dieren, het denken van de mens, verschillende soorten planten en de werking van hun wortels, zoals Salomo in zijn lofzang op de wijsheid verwoordt (Wijsheid 7:17-22).

Met deze doelstelling voor ogen begonnen wetenschappers, waaronder veel Nederlanders, in de zeventiende eeuw aan hun ontdekkingstocht in de macro- en microkosmos. Hoe meer ze zagen, des te meer ze ervan overtuigd raakten dat alleen een onbegrijpelijk geniale schepper dit alles had kunnen ontwerpen. God kon je herkennen zowel in de kosmos als in de microscopisch kleinste details. Niet voor niets legden veel wetenschappers en verzamelaars in de zeventiende eeuw rariteitenkabinetten aan. Dit waren verzamelingen van kunstmatige en natuurlijke objecten die samen de hele wereld moesten voorstellen. Op een eigen manier geordend verbeeldden ze Gods schepping en geven zo de mogelijkheid om nader inzicht over God te krijgen. Tegen deze achtergrond is te begrijpen waarom de beroemde anatoom en preparateur Frederik Ruysch (1638-1731) zijn ontlede kinderskeletten presenteerde in een allegorische voorstelling samen met naturalia en symbolen van de vergankelijkheid. Tegenwoordig wordt hij vooral gewaardeerd om zijn ontdekkingen op het gebied van de anatomie, onder meer de lymfevaten. Daarbij wordt te snel vergeten dat deze schijnbaar loepzuivere natuurwetenschappelijke bevindingen in dienst van een hoger doel stonden. De meeste mensen zullen ook niet beseffen dat het boegbeeld van de natuurwetenschappen, Isaac Newton, meer tijd heeft besteed aan alchemistische speculaties en de uitleg van bijbelse profetie├źn dan aan de hoofdwet van de mechanica.

Dat deze wetenschappelijke zoektocht ook zijn keerzijde kon hebben, toont het geval van Jan Swammerdam (1637-1680). Als zoon van de Amsterdamse apotheker Jan Jacobsz. Swammerdam, die een beroemd rariteitenkabinet had, kwam Swammerdam al vroeg in aanraking met de natuurwetenschappen en ontwikkelde zich tot een briljante onderzoeker. Zijn vader probeerde hem echter regelmatig tot werken te dwingen, hij vond dat zijn zoon zelf de kost moest verdienen. Dit was echter niet Swammerdams grootste probleem. Veel zwaarder woog voor hem deze gewetensvraag: betekende zijn ongetemde nieuwsgierigheid niet dat hij zich schuldig maakte aan de zonde van de curiositas? Op een gegeven moment was hij zo ver in Gods wonderen doorgedrongen, dat hij zelf meende dat hij net als Eva van de verboden 'boom der kennis' had gegeten. Swammerdam nam de consequentie en verdween in 1675 voor een tijdje naar het - toen Deense - eiland Nordstrand om zich bij een religieuze sekte aan te sluiten. Daar wijdde hij zich alleen nog aan gebed en bijbelstudie en vernietigde zelfs een deel van zijn onderzoek. Later terug in Amsterdam probeerde hij koortsachtig zijn hoofdwerk, de microscopische studie van talrijke kleine dieren en insecten, af te ronden. Zijn notities werden in 1737-1738 door Boerhaave onder de toepasselijke titel Bybel der Natuure uitgegeven.

Iemand die geen problemen met zijn geweten had omdat hij volgens eigen overtuiging alleen maar beschreef wat hij zag, was Antoni van Leeuwenhoek.Antoni van Leeuwenhoek

Bibliografische referenties

Eric Jorink, Wetenschap en wereldbeeld in de Gouden Eeuw. Hilversum 1999.

Heeft betrekking op:

Wijsheid 9:16, Wijsheid 7:14-21