Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Willem Bilderdijk - De ondergang der eerste wareld

Ter introductie de beginregels van resp. de tweede en de derde zang:

't Was nacht. De heldre maan bescheen de brede vlakte
Waar langs de kronklende Ur al kabblend nederzakte,
En strooide 't rimplend nat met zilvren loverglans.
Het koeltjen ging door 't woud op 't hupplend groen ten dans,
Of joeg met luchte vlerk de golfjens voor zich henen,
En kuste Elpines wang en boezem onder 't weenen.
Vergeefs! Die boezem voelt der wroeging felsten prang,
En 't traantjen droogt niet of langs de uitgebleekte wang.
(...)

Een' dichten zwerm gelijk, van vliegend roofgediert'
Dat, als de pestsmet woedt, om 't rijzend kerkhof zwiert
En rondgiert onder 't zwerk, en, waar zy lijken rieken,
Al schaatrend nederstort en klappert met de wieken;
Hief half de Hel zich op by 't klaatrend moordgerucht,
En juichte 't bloedbad toe, al hangende in de lucht.

Het is onmiskenbaar: dit is de Romantiek ten voeten uit. Willem Bilderdijk, een van de markantste vertegenwoordigers van de Nederlandse Romantiek, demonstreert in het - onvoltooide - epos De ondergang der eerste wareld (1809-1810) wat gevoel en verbeelding zoal kunnen voortbrengen.

Bilderdijk had zich voorgenomen een groots heldendicht te schrijven in het spoor van Miltons Paradise lost. De stof ontleende hij aan het merkwaardige begin van Genesis 6, dat hem van jongsaf had gefascineerd: de passage 'waar de kinderen Gods gezegd worden zich met de dochteren der menschen vermengd, en uit haar de machtigen, de geweldhebbers der aarde, voortgebracht te hebben, die men Reuzen noemde' (in het woord vooraf 'Aan den lezer' uit 1820). Bilderdijk haalt kerkvaders en rabbijnen aan voor zijn opvatting dat met de 'zonen Gods' geesten of wachtengelen zouden zijn bedoeld, en dat Adam en Eva al in het paradijs kinderen hadden gekregen, die niet in hun zondeval zijn meegesleurd (en die dus in het paradijs zijn achtergebleven). Dit soort wilde ideeën tekenen de Romanticus Bilderdijk: enerzijds de calvinist voor wie de waarheid van de bijbelse openbaring absoluut is, anderzijds de dichter voor wie binnen die grenzen elke mogelijkheid en waarschijnlijkheid een serieuze kans krijgt. Bilderdijk stond een epos van zeker 20 zangen voor ogen, maar het is uiteindelijk bij vier en een halve zang gebleven. In dit verband is de bede uit de eerste zang veelzeggend:

Verlosser! zie, zie neêr op dit vermetel pogen!
Begunstig 't, is 't iets meer dan Dichterlijke logen;
Maar, stijgt het stouter dan eens Christens godsvrucht past,
Verstoor het uit genade, en leg mijn' waanzin vast!

Is de spanning tussen de gebondenheid van de gelovige en de vrijheid van de dichter hem inderdaad te groot geworden? Bracht zijn verbeelding hem waar hij als christen niet mocht gaan? Sommigen wijzen op de geestelijke crisis waarin Bilderdijk in 1810 is geraakt, en op de politieke ontwikkelingen die hem hevig aangrepen.

Het ons overgeleverde stuk is niet alleen onaf, het is in de huidige vorm ook erg bont en tamelijk verwarrend. Wel is duidelijk dat Segol, een bekeerde nakomeling van Kaïn, de held van het stuk had moeten worden. Hij zal de strijd tegen de reuzen voortzetten, die eerder zijn halfbroer Argostan het leven heeft gekost. De Hel probeert echter uit alle macht de reuzen met hulp van gevallen 'zonen Gods' te laten zegevieren over de Kaïnieten.

In de eerste zang maken wij kennis met Elpine, 'uit Kaïns stam, maar opgevoed by Seth / En met geen godendienst, geen wulpsche lust besmet'. Zij is een voorbeeld van zo'n mooie mensendochter waar de 'zonen Gods' voor vallen. In de tweede zang wordt Elpine aangesproken door de 'zoon Gods' die haar zwanger heeft gemaakt. Hij vertelt haar van de plannen om het verloren paradijs te heroveren. Elpine is geschokt en wijst hem op de enige uitweg voor de gevallen schepping: 'Gods genâ, verlossing, en herstelling'.

Nee, de Almacht heeft voor ons, in Adams doem verstoten,
Voor 't kroost van onzen schoot, uw Eden toegesloten;
Wij erfden vloek van hem, ellende, en ramp, en graf,
Niets hoogers: maar - één hoop, één uitzicht by die straf.
Die hoop is Gods genâ, verlossing, en herstelling!
Verbeiden wy, getroost, in de engste zielsbeknelling!
Verbeiden wy het uur, dat Gods geheimenis
Onthult, en in de ry der toekomst zeker is.
Dit erfdeel van mijn vrucht zij nimmer opgegeven!
Dit zal zijn Eden zijn, dit is zijn eeuwig leven!

Ook in Fuäl, een berouwvolle 'zoon Gods', predikt Bilderdijk het evangelie van de verzoening: over 4000 jaar zal de ster boven Betlehem schitteren. Onder verwijzing naar 1 Petr. 3:19 en 4:6 roept Bilderdijk de Verlosser aan:

Gy, God uit God, en menschgeworden Zoon!
Gy die, in 't graf gedaald, ook d' eersten wareldvolken
Uw vrede en zoenbloed bracht in de onderaardsche kolken,
Waar ze, in een ijzren nacht gekerkerd, hunnen band
verbroken zagen door uw zegerijken hand!

Multatuli, die in zijn Ideën in een uitvoerige bespreking van Floris de Vijfde Multatuli – Ideën Bilderdijk met de grond gelijkmaakt, haalt in een noot bij Idee 1053 ook nog even uit naar dit stuk:

Erkennende dat zelfs hy [Bilderdijk] niet in staat kan geweest zyn, altyd zóó laag te staan als-i ons in dit stuk [Floris de Vijfde] voorkomt, is 't hem echter gelukt, in zeer veel van z'n werken - zelfs in zyn beroemdste! - aftedalen tot het peil van narigheid dat-i in den Floris zoo schitterend bereikt heeft. Z'n fragment van den Ondergang der eerste wareld geeft dat koddige treurspel niets toe in zotte konceptie, platte opvatting, manken gang, verschrompelde denkbeelden, onhandige teekening, gebrekkige diktie, mislukte verhevenheid en verknoeide taal. (...)

Bibliografische referenties

Willem Bilderdijk, De ondergang der eerste wareld (uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door dr. J. Bosch). Zwolle: Tjeenk Willink, 1959.

S. J. E. Rau, 'Het ontwerp van Bilderdijks epos', in: Mededeelingen gedaan in de vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1875-1876. (Tekst in de DBNL.)

Multatuli, Ideën, vyfde bundel. Amsterdam, 1877 (2e herz. druk). [Het citaat is o.a. te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Genesis 6:1-4, 1 Petrus 3:19