Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Willem de Mérode - Klacht om Abisag

Abisag was een schone Sunamitische maagd, die de hoogbejaarde koning David op diens oude dag wat warmte moest geven, en hem verzorgen en bedienen. "Maar de koning had geen gemeenschap met haar", staat heel expliciet in 1 Koningen 1:4. Ook Davids zoon Adonia ('een jonge prins') - die zijn ambities om zijn vader op te volgen had zien stranden op Batseba's vastbeslotenheid om haar eigen zoon Salomo de troon te laten bestijgen - probeert tevergeefs dan tenminste deze schoonheid tot vrouw te krijgen. Salomo voorkomt dit en Adonia sterft.
Deze Klacht om Abisag van Willem de Mérode (1887-1939) is de klacht om een mooie vrouw die haar vrouwelijke bestemming misloopt.

Misschien, zo luidt althans een theorie, is Abisag dezelfde als het meisje uit Sulem van Hooglied 7:1 (in sommige vertalingen hoofdstuk 6:13). In dat geval is De Mérodes klacht om haar toch ongegrond.

Klacht om Abisag
 
Hoe zult gij hier kunnen rusten?
Al de onnut gespaarde lusten
Stroomen nog met zacht geruisch
Door uw ongerepte leden,
Die nu met hun heerlijkheden
Zijn besloten in dees kluis.
 
Altijd hebt gij u onthouden
Aan onmachtigen; ach, de oude
Koning, dien gij bijstand bood,
Had geen kracht meer in zijn lenden
Om op jeugds reeds lang ontwende
Wijs te dansen in uw schoot.
 
Als zijn hart uw boezem voelde,
Gij uw jeugd aan hem verkoelde,
Gloeide hij alsof een steen
Hitte aan het vuur ontleende.
Maar koud tot 't verkalkt gebeente
Werd hij als hij lag alleen,
 
Toen een jonge prins u minde,
Werd als vlieg hij van eens blinden
Aangezicht fluks weggevaagd.
Uwer borsten roode toppen
Werden hard als rozeknoppen
Waar geen bloeien meer in daagt.
 
En toen kwam de harde donkre
Met zijn oog u tegenfonklen,
En, niet wetend wat gij deed,
Hebt, vreesachtige en wankle,
Ge u verborgen in zijn mantel
Als een graf- en bruiloftskleed.
 
Onberoerde en versmachte,
In de helle sterrenachten
Fluistren wij en zuchten: slaap!
Troost u dit, dat op hun sponde
In verrukkelijke zonde
Om u weenen man en knaap?

Bibliografische referenties

Willem de Mérode, Gedichten deel 3 (ed. K. Heeroma), Baarn: Bosch & Keuning, 1952, p. 227-228.

Heeft betrekking op:

1 Koningen 1:3-2:25