Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Willem Elsschot - Het dwaallicht

Drie Afghaanse zeelieden zoeken op hun vrije avond aan wal in Antwerpen naar het meisje dat die middag op hun boot, de Dehli Castle, de zakken heeft hersteld. Zij is blond, mooi, en heeft de mannen haar adres gegeven op een stukje karton van een sigarettendoosje: ‘Maria van Dam, Kloosterstraat 15, Antwerpen’. Laarmans, een niet erg gelukkige huisvader in een huwelijk dat hem verveelt, neemt zich juist die avond voor op tijd naar huis te gaan in plaats van naar zijn stamkroeg. Hij ontmoet de drie Afghanen als hij net een sprintje wil trekken naar de tram. Zij vragen hem de weg en hij wijst hun die: ‘En daar’ – ik wijs in de richting van het beloofde land – ‘is het meisje van de cigarettendoos.’
Laarmans stapt in de tram, die almaar niet vertrekt. Hij staart uit het raam en ziet de drie zeelui opduiken, kennelijk verdwaald. Hij springt de tram uit en gaat met hen mee op zoek naar Maria van Dam. In gedachten noemt hij de aanvoerder van de drie ‘Ali Khan’.

Op het adres Kloosterstraat 15 woont geen Maria van Dam. Ali laat de moed niet zakken. Hij kijkt naar de lucht en merkt op: ‘stars, good hope’. Laarmans stelt voor naar het politiebureau te gaan om het adres van Maria van Dam te achterhalen. De mannen overleggen onderling of ze daar wel op in moeten gaan. Laarmans: 'Zoo sta ik hier terecht voor kleurlingen. Iets zonder precedent. Zij vragen zich natuurlijk af of ik zoveel vertrouwen waard ben.' De mannen besluiten mee te gaan:

Nu zij op mij bouwen als op hun God kan ik onmogelijk terug en ik geef het signaal tot het vertrek. Twee voorop en twee achteraan, het hart vol hoop, onder een sterrenhemel zonder motregen. Zoo hebben drie Koningen óók geloopen, heel lang geleden.

Bij het politiebureau blijven de mannen buiten wachten. Laarmans krijg de tip Maria te zoeken in het Carlton Hotel, op Het Zand 15. Eigenaar is een zekere Kortenaar, een ‘Hollandsche halfbloed’. Plotseling wordt Ali ruw binnengesmeten. Hij had staan loeren door het sleutelgat. Weer is er een vertrouwenscrisis, nu bij Ali alleen:

Bij ’t hooren van mijn stem slaat Ali de oogen op en kijkt mij aan met een bedroefden blik en iets als minachting om den mond. Zóó moet Jezus gekeken hebben toen Judas het signaal gaf met zijn kus.
Ik word koud tot in mijn merg ... en hem in de oogen kijkend, vraag ik of hij dan in mij niet meer gelooft. ...
‘Ik weet het niet,’ erkent hij oprecht.

Even later staan ze weer buiten, zonder verdere problemen, en gaan naar Kortenaar op Het Zand 15. Daar blijkt een kroeg te zijn. Er hangen wat meisjes rond, wat kaartende mannen, paartjes dansen en een vrouw zoogt haar baby in een hoek. Kortenaar heeft nooit van een Maria van Dam gehoord.
Laarmans en Ali raken in gesprek over het geloof, over Mohammed, Jezus de zoon van God, Maria en het communisme, de nieuwe godsdienst waarin iedereen gelijk is. Het wordt laat, en er zit niets anders op dan weg te gaan. Op weg naar buiten:

Het meisje is lediggezogen, de borsten slordig opgeborgen, zoodat de blanke huid ons door de blouse tegenschittert. Als wij haar genaken blijft Ali staan als een nieuwe Melchior en staart in gedachten op het wicht dat met gebalde knuistjes sluimert, terwijl een straaltje zog, dat zich een weg baant over zijn wang, behoedzaam door de moeder wordt opgevangen. ...
‘Dit is de beste tijd,’ verklaart hij. ‘Hier, in Afghanistan en in de heele wereld. Moge Allah hem beschermen en dat ook de nieuwe godsdienst zijn deel moge zijn.’

De bloemen die Ali kocht op aanraden van Laarmans voor Maria, laat hij achter bij het meisje. '‘Voor de jonge moeder,’ besluit Ali. ‘Eens een kind, geschenken schaarsch.’ Hij neemt de bloemen in ontvangst en legt ze omzichtig naast de schuwe meid op een tafel ...'
Het afscheid nadert, er valt niets meer te zoeken. Maria van Dam wil niet gevonden worden. Laarmans leidde de Afghanen als een dwaallicht door de stad, en hijzelf liet zich leiden door het dwaallicht Maria van Dam. Maar hij deed het - in zekere zin - oprecht:

Nu het scheidingsuur slaat denk ik terug aan het bureau van politie en aan dien blik van hem toen hij opkeek van onder zijn zwarten helm. En alsof onze omgang nog jaren duren moest, spreek ik de hoop uit dat hij mij nooit meer verloochenen zal. ...
‘Verloochend heb ik u niet,’ zegt hij zacht. ‘Mijn geest heeft gewankeld maar niet mijn hart.’

Ali brengt bij het afscheid onder woorden wat door het hele verhaal heen heeft gespeeld. Mensen behoren tot verschillende groepen, en dat scheidt ze van elkaar. Maar ze komen tot elkaar wanneer ze als broeders met elkaar omgaan, eigenlijk volgens het communistisch ideaal:

‘Wij hebben aandachtig toegekeken bij alles wat u gedaan hebt, want in den vreemde moet men evenzeer op zijn hoede zijn als de dieren in de wildernis en wij hebben gezien dat u het zoo goed met ons meent alsof wij broeders waren, al behooren wij niet eens tot uw volk.’

In het literaire tijdschrift Merlyn, dat de methode van de close reading groot heeft gemaakt, heeft Kees Fens de novelle Dwaallicht (1946) van Willem Elsschot geanalyseerd. Deze interessante analyse, die Fens zelf jaren later 'al te diepzinnig' heeft genoemd, is te vinden in de DBNL.

Bibliografische referenties

Willem Elsschot, Het dwaallicht. Amsterdam: Athenaeum – Polak & van Gennep, 2004

Kees Fens, 'Het verhaal van de publieke man', in: Merlyn 3 (1965). [Zie DBNL.]

Heeft betrekking op:

Matteüs 2:1