Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Wim Slenk - Epafras

In de brief aan de Kolossenzen wordt Epafras tweemaal genoemd: in 1:7 en in 4:12-13. De gemeente van Kolosse is waarschijnlijk, evenals die van Laodicea en Hiërapolis, door Epafras gesticht. Paulus heeft het in zijn brief aan Filemon ook over 'Epafras, die samen met mij omwille van Christus Jezus gevangen zit' (vs. 23).

Rond deze Epafras heeft Wim Slenk, pseudoniem van de theoloog Pieter W. van der Horst, 'een grotendeels fictief verhaal' geschreven. In een novelle zonder literaire kwaliteiten 'reconstrueert' hij het verhaal van Epafras' bekering. De schrijver combineert bijbelse gegevens, zoals het volksoproer in Efeze (Handelingen 19), met eigen vondsten; zo laat hij Epafras verliefd worden op de mooie dochter van Filemon.
De eerste kennismaking van Epafras met Paulus wordt zo beschreven (p. 20-21):

Toen hij het gebouw inliep en het enige vertrek waarvan de deur open stond binnenging, was hij verbaasd over wat hij zag. Midden op de grond zag hij een kleine, enigszins kale man van in de veertig met een vriendelijk gezicht bezig met een naald en draad grote stukken gelooide huid aan elkaar te naaien, kennelijk om er een tent van te maken. [vgl. Hand. 18:3]
'Welkom', zei de man, 'ik heet Paulus'.
'Mijn naam is Epafras', zei Epafras, 'ik heb verhalen over u gehoord en die hebben me nieuwsgierig gemaakt naar wie u bent'.
'Naar wie ik ben of naar wat ik te vertellen heb?', vroeg Paulus.
'Dat kan ik op dit moment niet los van elkaar zien', zei Epafras, 'maar laat ik concreet zijn. Ik hoorde van een kennis dat u de macht hebt om demonen te bedwingen die mensen het leven zuur maken. Is dat zo?' [vgl. Hand. 19:11-12]
'Nee', zei Paulus, 'dan ben je verkeerd geïnformeerd. Ik kan dat uit mezelf helemaal niet, ik sta net zo machteloos tegenover dit soort boze machten als ieder ander. Maar er is iemand die sterker is dan zij en die werkt in mij en door mij, en daarom kan ik demonen uitdrijven, maar dus eigenlijk niet ik maar hij in mij, snap je?'
'Nee, sorry, daar begrijp ik niets van', zei Epafras, 'iemand in u? Bent u dan zelf ook bezeten?'
Paulus lachte hartelijk. 'Ja, zo zou je het misschien ook kunnen zeggen. Ik ben inderdaad bezeten van iemand, maar dan niet van een boze macht, een demon, maar van de geest van de zoon van God die levend maakt'.
'Oh, wacht eens', zei Epafras, 'bent u dan een soort mannelijke Pythia, een priester van Apollo, de zoon van Zeus? Die kan namelijk door de geest van Apollo bezeten raken en orakels geven. Maar deze tentenmakerswerkplaats ziet er niet bepaald uit als een tempel van Apollo', grapte hij.
'Nee, dat klopt', zei Paulus ernstig, 'maar dat komt omdat de geest van hem die in mij woont het verkiest in nederigheid te wonen'.
(Het woord 'nederigheid' beviel Epafras niet, hij kon met de beste wil van de wereld niet het nut en de aardigheid van nederigheid inzien, dat was iets voor slaven.)
'Het is ook niet de geest van Apollo die in mij woont', vervolgde Paulus, maar die van Christus, de zoon van de Allerhoogste God. Hij is de enige die macht heeft over demonen, en het is alleen maar in zijn naam dat ik demonen kan uitwerpen zonder dat ze mijzelf de baas worden'.
'Maar die allerhoogste god', zei Epafras, 'is dat dan niet Zeus? En wie is dan die Christus? Ik heb me in de loop der jaren behoorlijk verdiept in de wereld der goden, maar een Christus ben ik nog nooit tegengekomen. Een rare naam trouwens, 'Gezalfde'; maakt die god soms reklame voor een soort huidcrème of zoiets?'
Paulus had tot dusverre gewoon doorgewerkt aan zijn tent, maar nu legde hij draad en naald neer en keek Epafras aan. 'Ik weet dat het allemaal vreemd klinkt', zei hij, 'maar ik wil het je graag uitleggen. Kijk, de Allerhoogste is de naam waarmee vaak de God van de Joden wordt aangeduid; dat doen ze omdat ze zijn eigenlijke naam niet willen uitspreken uit eerbied. Maar deze God is niet alleen de God van de Joden maar van hemel en aarde, van de hele wereld en van alle mensen. Hij heeft zich eerst alleen aan het Joodse volk geopenbaard om hen alle andere volkeren te laten voorleven hoe het moest. Zij moesten de anderen laten zien wat een echt leven in overeenstemming met de wil van God nu eigenlijk is. Maar de Joden hebben het heil (zoals wij dat noemen) teveel voor zichzelf gehouden, en daarom heeft God besloten om zijn zoon te zenden die het heil ook voor alle mensen binnen handbereik moest brengen. En dat is nu die Christus waarover ik sprak. Nu zeg ik het wel heel kort maar waar het op aan komt is dat God via zijn zoon de hele wereld het heil aanbiedt en ik vertel de mensen over dit aanbod en spoor hen aan dat aan te nemen, zie je?'

Bibliografische referenties

Wim Slenk, Epafras. Het verhaal van een vreemde bekering, Gorinchem: Narratio, 1993.

Heeft betrekking op:

Kolossenzen 1:7, Kolossenzen 4:12, Filemon 1:23