Overzicht bijbelboeken

Cultuur > Varia

Wormen als straf van God

Nederland zag zich in de jaren dertig van de achttiende eeuw voor een nijpend probleem gesteld: een snel oprukkende kokerworm vrat zich in hoog tempo door de houten zeeweringen, die in Noord-Holland, Friesland en Groningen de dijken moesten beschermen tegen het geweld der golven. In 1732 had de wormenplaag zo'n omvang bereikt, dat voor de veiligheid van hele provincies gevreesd werd.

Veel predikanten zagen de wormen als een directe straf van God. Onder hen was dominee Jacobus Harkenroht uit Appingedam. Op een in de provincie Groningen uitgeroepen 'Vast en Bededag', hield hij een lange preek waarin hij de wormenplaag in verband bracht met de worm die door God gestuurd werd om Jona's wonderboom te doden (Jona 4:7).

Harkenroht begint zijn preek met een uitvoerige uitleg van de passage uit het boek Jona, om in de toepassing te vervolgen met een historische uiteenzetting van de rampen die Nederland in de loop der eeuwen getroffen hebben. Naast predikant is hij tevens amateurhistoricus, en hij onderbouwt zijn verhaal dan ook met allerlei details, bijvoorbeeld over de verwoestingen en slachtoffers die een ramp als de Sint Elisabethvloed veroorzaakt heeft.

Uiteindelijk - zijn verhaal telt in uitgegeven vorm 72 dichtbedrukte bladzijden - belandt hij bij de wormenplaag die de aanleiding voor de gebedsdienst is. Daarbij brengt hij zijn gehoor nauwgezet op de hoogte van het uiterlijk der wormen en de verwoestingen die ze aanrichten:

Zy zijn verscheiden in lengte ende dikte, gemeenlijk omtrent eenen halven voet of iets minder of meerder lang, ook wel van XIV. duim Amsterdamsche maat, hun geheel ligchaam bestaat ook uit verscheidene kringen, beenloos, ongemeen zagt en week als een Oester, grijsachtig van koleur, zommigen hebben aan weerkanten des buiks ontallik heel kleine beenen, met haakjes alle gewaapent. [...]
Hoe deeze Wormen het Paalwerk voor onze Zeedyken van binnen door en door booren, gelyk de Byen ’t Werk in haare Korven, hebbe ik met aandagt beschouwt in een stuk Dykhout, uit Dokkum, door den Eerw. Hr. Theodorus van Thuinen, SS. Theol. Doctor, Predikant aldaar, volgens zyne beleeftheid my toegezonden.

Harkenroht maakt zijn toehoorders erop attent dat God vaker straft door middel van wormen. Behalve in Jona 4:7 wordt ook in Job 7:5, Ps. 105:17, 2 Makk. 9:9 en Hand 12:23 over een wormenplaag gesproken. En - zo is de conclusie - ook de hedendaagse kokerwormen moeten op die manier geïnterpreteerd worden.

Maar, Zeer geliefde Toehoorderen, dat de Heere God ook om onzer zonden wille, onder zijne Heirbenden, de WORMEN gebruikt tot straffe der menschen te Lande ende te Water, toont nu de Heere der Heirschaaren ook merkelijk ende handtastelijk in onze dagen deezes Jaars 1732 aan het Post en Paalwerk voor onze Zeedijken, zijnde de oorzaake van deze onze Godsdienstige Byeenkomste op dezen Extraordinaaren Bid en Vastendag.

Uiteindelijk is Nederland de wormenplaag weer te boven gekomen. Hoe, dat is te lezen in een ander boekje, dat samen met dat van Harkenroht is ingebonden. De titel spreekt voor zich:

Staat der nieuwe Uytvinding Van den Aard, Eigenschap, Voortteeling, maniere ende kracht van werken, der schaadelyke raseerende ZEE-GEWORMTENS, waar tegen den Ondergeschreven Henricus Engelhardt met zyn Comp. Onder Gods Zeegen deze navolgende sestienderlei Voortreffelyke Suffisante MIDDELEN Uytgevonden hebben; waar door ze hoopen en vertrouwen dat deze Ongediertens met haare Jongjes, en de Eyeren van de Sluysen, en van de Fondamenten der Schepen, waar aan zoo veel gelegen is, als ook van Palen, onder Gods zeegen zal konnen worden afgewend. Gedrukt voor den Autheur, en zyn te bekomen t’ Amsterdam, by Hendrik Vieroot, Boekverkooper, op de hoek van den Dam.

Bibliografische referenties

Worm in Nederlands paalwerk voor de zeedyken, tot een buitengewoone straffe, van den Heere der Heirschaaren beschikt, aangetoont, uit Jona IV:7. Naa Tyds en Lands gelegentheid, op deszelfs Oorzaken, en voorkomende Middelen, ter waarde Bekeeringe en ongeveinsde Godzaaligheid, Op eenen Buitengewoonen Vast en Bededag, in de Provintie van Groningen en Ommelanden, gepredikt en toegepast, Aan de Gemeente binnen Appingedam, Den VIII Oktober 1732. Uit de Oudheden der Volkeren breeder uitgebreid nevens den oorsprong van de letters, papier, pergament, pen en inkt, ook opschriften, door Jacobus Isebrandi Harkenroht, Predikant aldaar. Te Groningen, by Harmannus Spoormaker, en Laurens Groenewout. 1733. (Ex. UB Leiden 2314 H25)

Heeft betrekking op:

Jona 4:7