Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Zondagspak

In de Almanak tot Nut van ’t Algemeen verscheen in 1848 het gedicht 'Zondagspak'. Anoniem, dat wil zeggen slechts met de letter H. ondertekend, zoals veelvuldig voorkwam in almanakken.

We hebben te maken met een dichter die zijn poëzie in dienst stelt van een bepaald ideaal. In de drie strofen die ‘Zondagspak’ telt gaan heel wat verschillende sociaal-maatschappelijke en cultuurhistorische noties schuil:

Och, ’t doet mij aan mijn harte goed
Te zien, hoe, op den Dag des Heeren,
De burger, in zijn zondagskleeren,
Met vrouw en kroost ter kerke spoedt,
En hoe op aller blij gelaat
De zondagsvreê te lezen staat.

De dichter spreekt positief over een man die zich sámen met zijn vrouw en kinderen naar de kerk begeeft, en laat zo zijn normen doorklinken. Een gelovig gezin is een bijbels ideaal, dat in de negentiende eeuw veel gepredikt werd. Een man die zijn gezin goed bestuurt kan trots zijn. Deze familie is bovendien duidelijk gelukkig in de gegeven situatie; daarvan getuigt hun ‘blij gelaat’. Denk hierbij ook aan Psalm 122:1 'Verheugd was ik toen ik hoorde: "Wij gaan naar het huis van de HEER"'; vgl. Volckerus van Oosterwyck - Kerck-gangs Vrucht

De school, de schoonmaak en het werk,
Ze rusten bij de daagsche plunje…
Gij, wakkre burger! och! Ik gun-je
Zoo graag, dat ge eenmaal ’s weeks, ter kerk,
De stof en ’t stof der aard’ vergeet
Met zondagshart in zondagskleed.

De werkkleding ligt in de wasmand en daarmee zijn de dagelijkse beslommeringen even vergeten. De dichter wenst zijn lezers toe dat zij één dag per week hun werk en alles wat daar bij hoort opzij zetten. Een negentiende-eeuwse vertaling van het vierde gebod (Exodus 20:8-11): “Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken.”

o Houd hem zuiver, houd hem sterk
Den nieuwen mensch, dien ge aan mogt trekken; -
En laat hij u tot deugden wekken
Bij daaglijksch brood en daaglijksch werk;
Al heeft ook moeder in de kast
Het zondagspak weer opgetast [opgeborgen].
H.

In deze laatste strofe geeft de auteur zijn gedicht een nieuwtestamentische draai. Eerder had hij het al over doordeweekse kleding en speciale zondagse kleding, nu verbindt hij aan de zondagse outfit de notie van het ‘aantrekken van de nieuwe mens’ uit Efeziërs 4:24. In het Nieuwe Testament komt de beeldspraak die zegt dat de gelovigen zich met Jezus moeten kleden vaker voor; vgl. Romeinen 13:14 en Galaten 3:27. In bovenstaand gedicht wordt duidelijk dat elke zondag weer een spreekwoordelijk nieuw stel kleren wordt uitgedeeld in de kerk, die men de hele week kan dragen, zelfs als het echte zondagspak door moeder weer in de kast is opgeborgen.

Op deze manier roept de dichter, gesteund door het gezag van de bijbelverwijzingen die hij heeft weten te verwerken, op tot een deugdzaam burgerschap, een hooggekoesterd ideaal in zijn tijd.

Heeft betrekking op:

Exodus 20:8, Efeziërs 4:24